Het blijft zomeren in de tuin

Augustus, oogstmaand

Intussen is het alweer augustus en kan er volop geoogst worden. Natuurlijk kon dat eerder ook al, de peultjes zijn op, de pluksla ook. Bietjes heb ik vorige maand al gegeten. Het is erg motiverend om vroege groenten te hebben. Je ziet dan snel waar je het allemaal voor doet.

Crocosmia

Nu heb ik boontjes en courgette. En nog steeds bietjes. Er zijn ook andere bloemen gaan bloeien. De Crocosmia  die vorig jaar niet bloeide, bloeit nu volop. Het klopt dus wat iemand zei: ze slaan wel eens een jaar over. En ook de dahlia’s zijn er al. De oost-Indische kers gaat onvermoeibaar door, die moet ik af en toe flink beknotten.

Tegenvallers

Toch gaat niet alles voorspoedig. De augurkenplant heb ik uitgetrokken en weggegooid. Toen ik terugkwam uit Ermelo was hij geheel verdroogd. Extra water geven hielp niet meer. Gelukkig had ik voor vertrek nog twee potjes augurken in het zuur kunnen vullen.

De paprikaplant had toen ik wegging twee piepkleine vruchtjes. Toen ik terugkwam waren ze er af gevallen. Gelukkig is de plant zelf nog goed in leven. Nu hoop ik maar dat er nog nieuwe paprika’s aan komen. Zowel de paprika als de augurk stonden in een grote pot. Het verrast me toch weer hoe snel planten die in een pot staan verdrogen.

En dan de zonnebloemen. Die zijn allebei danig aangevreten door een slak. Bij de grootste was het zo erg dat het hele hart -met de bloemknop dus- er uit was. Ik heb hem afgeknipt, in de hoop dat hij zijscheuten maakt. De kleinste heeft nog wel de knop, maar de bladeren er om heen zijn ook al aangevreten. Ik had niet verwacht dat slakken zo hoog in een bloemstengel zouden klimmen, maar aan de slijmsporen op de bladeren is te zien dat het toch echt van een slak is. Waarom nemen ze geen portie munt? Dat staat er naast in overvloed!

Nieuwe aanwinsten

De veldsla die ik gezaaid heb is goed opgekomen. Af en toe pluk ik een handvol voor op de boterham of in de salade. Ik heb er nog wat bij gezaaid. Ze groeien in een bakje aan de schutting, de slakken hebben het nog niet ontdekt…… Ook de gezaaide postelein staat boven de grond, maar is nog te klein om van te eten.

Deze week was ik bij een hovenier/kwekerij in Barneveld. Het was een mooi fietstochtje erheen en ik wilde er wel eens rondkijken in de voorbeeldtuinen. Onderweg zag ik hertjes in het gras bij Stoutenburg. Toch weer afgestapt en een tijdje staan kijken, het blijft een mooi gezicht. Het is ook altijd leuk om je te vergapen aan alle planten op zo´n kwekerij en planten te ontdekken die ik nog niet kende. De courgettes stonden er in een tunnelkas en waren jaloersmakend groot en ook de tomaten kleurden al. Die van mij zijn nog keigroen. Om ze meer licht en lucht te geven heb ik veel van het blad eraf geknipt.

Pluimpapaver

 

Ik liep watertandend tussen alle planten en toen zag ik hem opeens: de pluimpapaver! Die wilde ik al een tijdje hebben, maar je ziet ze niet zo vaak. Pluimpapavers (Macleaya cordata) lijken niet op papavers, het zijn vaste planten die twee tot drie meter hoog kunnen worden en ze bloeien met een pluim. De pluimpapaver heeft aanleg om te gaan woekeren, maar ik ben hem al twee keer kwijtgeraakt. Ik heb hem nu nog in een pot staan, zodat ik hem niet dit jaar al kwijtraak. Driemaal is scheepsrecht, als het nu weer misgaat, dan geef ik hem op.

Op de terugweg ben ik gezwicht voor twee hostaplantjes. Ze stonden in een kraampje langs de weg bij een boerderij, samen voor een euro. Ook die heb ik hoog tegen de schutting gehangen. Maar ja, als slakken in zonnebloemen klimmen, dan zie ik het somber in voor deze hosta’s.

We zullen zien.

 

 

 

Oud Groevenbeek, landgoed met sprookjesvilla op de Veluwe

Landgoed Oud Groevenbeek

Tussen Ermelo en Putten ligt Landgoed Oud Groevenbeek. Een landgoed zoals er wel meer zijn: rijke industrieel bouwt villa buiten in het groen, met een koetshuis, kassen (waar nu druiven verbouwd worden), een vijver en een eigen watertoren. Her en der op het landgoed staat een woonhuis. De villa is gebouwd in 1907 als vervanging van een kleiner huis uit 1870. Het terrein met de villa is nu eigendom van Natuurmonumenten.

 

Toen ik kwam aanfietsen over de oprijlaan leek het aan de buitenkant net een sprookjeskasteeltje. Binnen zijn de kamers gemoderniseerd met behoud van originele Jugendstil elementen. Ik huurde er de tuinsuite, compleet met veranda, waar ik elke morgen overdekt en toch buiten kon ontbijten terwijl vogels rondscharrelden in de heg en ik zo rechtstreeks het bos in liep op zoek naar …..

Reeën

Ik raakte er aan de praat met een man die op het landgoed woonde. Hij vertelde me dat hij een ree met kalf bijna in zijn achtertuin had. En waar en wanneer ik zeker reeën kon zien. Ik was die morgen al om 7.00 uur op pad geweest, maar had ze niet gezien. ´s Avonds zou ik meer kans maken. Maar ook die avond zag ik ze niet. En toen zondagmorgen, terwijl ik er niet naar op zoek was, stond er één best dichtbij op het veldje. Ik zag haar staan vanuit het raam. Geluk kun je niet afdwingen, het wordt je gegeven. .

Ik durfde niet naar buiten, het knerpende grind zou haar opschrikken. Ik maakte een paar foto;s door het raam heen. Er passeerde een hardloper, ze keek even op, maar bleef grazen. Toen blafte een hond in de verte, weer de kop omhoog, maar ze bleef. Maar toen ik toch naar buiten ging, was ze weg.

Maandagmorgen voor mijn vertrek terug liep ik nog een laatste rondje om afscheid te nemen van de omgeving. En daar zag ik er weer een in de verte. Wat een mooi afscheid!

De Groevenbeekse Heide

Je kunt heerlijk wandelen over het landgoed. En vanuit het bos loop je zo de Groevenbeekse heide (gemeente Ermelo) op. De hei begon net te bloeien, maar op dit moment overheerste de kleur geel. Van boerenwormkruid, teunisbloem, (gele) toorts, agrimonie, guldenroede en een aantal composieten die ik allemaal niet uit elkaar kan houden.

Er bloeiden zoveel soorten bloemen daar, ik bleef kijken. Campanula, kaasjeskruid, klaversoorten, nagelkruid, iets wat op reseda leek (Wouw misschien?). Het ging maar door. Ik raakte er zo van uit de koers dat ik niet meer op de paden lette, en de weg terug moest vragen.

Grafheuvels en urnenvelden

Op het landgoed en op de heide liggen verschillende grafheuvels. Vijf alleen al op het landgoed. Op advies van archeologen zijn de bomen en struiken op die heuvels weggehaald, je kunt ze dus heel goed zien. Ze zijn alleen begroeid met gras. Er zijn vondsten gedaan uit de brons- en de steentijd, (4000-5000 jaar geleden). Op de Groevenbeekse heide ligt een urnenveld uit 1000-500 v C.  Er staat een bord bij, anders had ik het niet gezien.

Je kunt er gewoon heen

Landgoed Oud Groevenbeek is gewoon vrij toegankelijk. Mensen laten hun hond uit, lopen er hard of fietsen er doorheen van Putten naar Ermelo. Er zijn 2 paaltjeswandelingen uitgezet en er is een theehuisje. Toch was het niet druk. Misschien kwam dat ook doordat het wat regenachtig was.

Meer informatie van Natuurmonumenten over Oud Groevenbeek vind je hier

Botanische tuinen Utrecht

Afgelopen zaterdag fietste ik naar de botanische tuin in Utrecht. Sinds 1 juli is hij weer open, met wat restricties. Er zijn looproutes en bepaalde stukken, bijvoorbeeld de schaduwhoek, waren voor een deel afgesloten. Je moet een tijdslot reserveren en mag dan twee uur blijven, hoewel men daar – toen ik het vroeg – soepel mee omging.

In tegenstelling tot wat op de website staat, waren de vlinderkas en een gedeelte van de tropische kas open. De tropische vlinders waren veel groter dan de vlinders die je bij ons buiten ziet. Zou dat door de warmte komen? Ook de kamerplantenwinkel achterin de kas was open. Als je eens een bijzondere kamerplant wil, moet je beslist hier gaan kijken. Ik word hier heel erg hebberig:  “How are you growing?” 

De rotsplantenheuvel

Ik begon mijn rondje door de rotstuin. Om deze tijd van het jaar is die nog heel mooi. Er bloeit dan nog van alles. Die stenen warmen snel op en behalve alpenflora zie je er ook planten uit India, Pakistan of Zuid Afrika. Het is verrassend hoeveel planten het goed doen tussen de stenen op die rotsige heuvel. Een salamandertje dat lekker lag op te warmen, schoot weg tussen de stenen.

Ik zag veel distelsoorten, schijfcactussen, Galliarda (kokardebloem) en Yucca’s met grote witte bloemtrossen.

Uit Zuid Afrika de  Dierama, uiteraard veel groter dan die ik dit jaar zelf gezaaid heb. Hoelang zou het duren voordat die van mij ook zo zijn? Waarschijnlijk jaaaren!

Natuurlijk waren er ook alweer planten uitgebloeid. Soms zijn de zaaddozen bijna nog mooier dan de bloemen. Zoals deze van de pioenroos (Peaonia).

Toen waren mijn twee uur alweer voorbij. Gelukkig was het terras open en voor ik terug fietste nam ik tijd voor koffie-met-taart.

Kijk hier voor meer informatie (en reserveren).

 

Nog steeds zomer in de tuin

Sinds de vorige “zomer in de tuin” blog van eind juni is er wel wat veranderd. Zeker na de regen van de afgelopen dagen ging het snel.  Vrijwel alles is goed gegroeid.

Eten uit de tuin

Dit is de leukste tijd: als er geoogst kan worden. De peultjes zijn alweer op. Het lijkt nog maar net dat ik een vriendin uitnodigde om te komen eten uit de tuin. We aten peultjes, gepofte bietjes en rijst met linzen. Zondagmorgen heb ik de peultjes gerooid, ze werden geel en bloeiden niet meer. Op de lege plek staan nu twee broccoliplanten. Ik verwacht niet dat ik daar dit jaar van kan eten, hangt een beetje af van het najaar. Maar ze overleven waarschijnlijk wel tot het voorjaar.

De andijvieplantjes waren behoorlijk aangevreten door de slakken, maar ik heb er plastic flessen overheen gezet en zie, ze beginnen opnieuw te groeien. Mijn bakje pluksla was zomaar in één nacht kaalgevreten. Dat waren rupsen. Ach ja, het blijft levende natuur…..

De aardbeien zijn op, ik heb nu Japanse wijnbessen. De struik is dit jaar wat klein gebleven, dus dit jaar gewoon alle bessen direct opeten. Vanmorgen een handvol door mijn ontbijtmuesli. Vorige jaren zette ik ze wel op suiker en alcohol om te bewaren voor later. Daarvoor zijn er nu te weinig.

De rabarber groeide flink dankzij de regen. Ik twijfelde of ik er nog een keer jam van zou maken. Rabarber oogsten na de langste dag wordt afgeraden. Het gaat ten koste van de plant en het oxaalzuurgehalte wordt hoger in de zomer, dat is ongezond. Toch heb ik vandaag een paar stelen geoogst. De laatste keer dat wel.

De pronkbonen staan weer te pronken met grote roodwitte bloemtrossen. De sperziebonen staan minder vol en ze bloeien nog niet. Maar ze staan er goed bij, dus ik verwacht er wel wat van.

Muntcake

De regen zorgde voor een explosie van munt! Hoog tijd om weer eens een muntcake te bakken. Voor wie dat ook eens wil proberen, het is zo simpel. Maak cakebeslag zoals je dat altijd doet. (of zoals op de verpakking staat als je cakemix neemt). Voeg dan aan het beslag een paar (2-3) handen fijngesneden muntblaadjes toe en een klein beetje citroenrasp of -sap. Meng goed door, doe in het cakeblik en bak in de oven. Je kunt er natuurlijk muntthee bij drinken, als je een echte fan bent. Andere thee kan ook, met koffie vind ik het minder lekker smaken.

En dan de bloemen.

De Oost-Indische kers is helemaal opgeleefd door de regen. Ik moet ze weer met handenvol uittrekken, want ze woekeren behoorlijk. En ik heb dit jaar een paar verrassingen: in de Crocosmia’s, die vorig jaar niet bloeiden, zitten knoppen. Ook de salvia die ik in mei kreeg heeft al knoppen gemaakt. De eerst dahlia’s beginnen te bloeien. De klaprozen zijn bijna uitgebloeid.

Het blijft raar dat ik dit jaar geen afrikaantjes heb. Altijd zaaiden ze zichzelf uit en vond ik ze bijna teveel. Dit jaar hebben ze dat niet gedaan. Ik had een zelf ander, kleiner soort gezaaid. Die zijn door de slakken opgegeten, er staat zelfs geen steeltje meer.

Tot slot werd ik dit jaar verrast door de Verbena bonariensis, die hebben zich royaal uitgezaaid en staan nu overal bovenuit te wuiven.

 

Sakura

Hoe een Engelsman de Japanse kersenbloesem redde

Dit boek van Naoko Abe, een Japanse journaliste, over Collingwood “Cherry” Ingram (1880-1981) en zijn fascinatie voor de Japanse kersenbloesem, gaat tegelijkertijd over veel meer. Het boek geeft ook een blik in de Japanse geschiedenis vanuit Japanse perspectief.

Collingwood Ingram was de jongste zoon van een rijke ondernemer in Kent. Hij was te ziekelijk om te studeren en zwierf hele dagen vogelspottend in het veld. Ik heb daar wel vraagtekens bij, want later was hij gezond genoeg om de halve wereld over te reizen, hij was in WO I in Noord Frankrijk en werd uiteindelijk 101 jaar.

“Japonisme” in Europa. 

In de jaren na 1886 opende Japan zich voor westerse bezoekers. Daar ging wel een burgeroorlog aan vooraf tussen voor- en tegenstanders. Toen de samoerai die verloren hadden, liet Japan tussen 1886 en 1900 honderden westerlingen binnen. Die brachten Japanse kunst naar Europa. Vincent van Gogh bijvoorbeeld verzamelde Japanse kunst. Ook de Japanse deelname aan de Wereldtentoonstelling in 1900 hielp mee. Japans werd een hype zouden we nu zeggen. Zo ontstond het “Japonisme”. In 1902 en 1907 maakte Ingram twee botanische reizen (nou ja, een ervan was zijn huwelijksreis!) naar Japan waar hij gegrepen werd door de vele soorten Japanse sierkersen.

Kweken, enten, kruisen in Kent.

Ingram verliet de vogels en richtte zich op het kweken van sierkersen. Hij nam stekken mee van wilde kersensoorten en van gekweekte. In die tijd had elk Japans eiland andere soorten sierkersen. Afhankelijk van klimaat bloeiden ze op verschillende tijden tussen februari en mei. Met kleine bloemen of juist heel grote, van wit tot rood. Ingram begon in zijn eigen tuin met kweken, enten en kruisen van kersenbomen, alleen vanwege de bloesem. Zijn missie was zoveel mogelijk soorten zo breed mogelijk verspreiden. Hij deelde genereus links en recht stekken uit. Tijdens de Eerste Wereldoorlog verdwenen veel sierkersen weer uit de tuinen ten gunste van eetbare gewassen. Na de oorlog begon hij opnieuw met stekken uit diverse botanische tuinen.

Maar hij wilde terug naar de bron en in 1926 reisde hij opnieuw naar Japan. Het werd een enorme teleurstelling. Japan was in hoog tempo verwesterd. Veel kersensoorten waren verdwenen door wegverbredingen, verwaarloosde tuinen en natuurrampen. Er was vrijwel geen interesse meer voor de verscheidenheid van soorten. Als er al kersenbomen werden geplant dan was het de gekloonde zachtroze (Prunus x yedoensis) somei-yoshino. 

Alleen bij oude tempels in Kyoto vond hij nog oude rassen. Hij legde contacten met Japanse kersenbloesemkenners, die het verlies van de soorten ook betreurden. Hij besloot het land zijn kersenbloesemsoorten terug te geven. In de jaren daarna stuurde hij vele stekken naar Japan, die lang niet allemaal goed aankwamen. Soms verdroogd, soms verrot. Het meest succesvol was ze te verpakken in een uitgeholde aardappel en ze niet te verschepen maar met de trein via China te versturen.

De kersenbloesem in de oorlog in Japan.

Deze episode doe ik wat uitgebreider. Omdat het een paar hoofdstukken in het boek beslaat, ik er vrijwel niets van af wist en het me zeer raakte.

De “kersenbloesemschouw” (hanami) was van oudsher het begin van de lente. In sommige dorpen begon men rijst te planten als de kersenbomen gingen bloeien. Vanaf de jaren 30 werd de kersenbloesem ook verbonden met opoffering voor het vaderland en de keizer. Overal plantte men de zachtroze somei-yoshino, die allemaal tegelijk bloeiden. Was de kersenbloesem eerst een symbool van nieuw leven en het aanbreken van de lente, langzaam verschoof dit en werd de vallende bloesem symbool van de dood. Soldaten werden in liedjes “kersenbloesembroeders” genoemd. Het was een eer om voor keizer en vaderland te vallen als kersenbloesem op het tempelplein. Dit werd een ware cultus in WO II: op de vliegtuigen van kamikazepiloten was roze kersenbloesem geschilderd. De schrijfster ging op zoek naar verhalen over kamikazepiloten en betwijfelt zeer of al die jongens (van soms maar 17,18 jaar) ook echt zo eervol en blijmoedig hun dood tegemoet vlogen. Het is hartverscheurend om te lezen. Veel Japanners konden na afloop van de oorlog niet bevatten dat de keizer niet goddelijk was. Het land bleef verwoest en ontgoocheld achter.

Na de oorlog werd in Japan geleidelijk weer kersenbloesem geplant en begon men langzaamaan weer met de “kersenschouw”, het bewonderen van de kersenbloesem in de lente. Dat gebeurt nog steeds, maar dat de kersenbloesem zo beladen was geweest, wist ik niet.

De schrijfster verbloemt misdaden in de Japanse kampen niet. Ingrams schoondochter zat in zo’n kamp in Hongkong. Na de oorlog, haatte ze alles wat Japans was.

Intussen in Kent.

Hoewel ook Kent oorlogsschade had, stond het in geen verhouding . “Cherry” Ingram was inmiddels een erkend kersenbloesemexpert. Na de oorlog werd de kersenbloesem populair in Engeland. Overal werden ze aangeplant, op schoolpleinen, langs wegen en in parken en tuinen. Tot zijn verdriet koos men vaak voor de grote dubbelbloemige Prunus “kanzan” ook Prunus sekiyama genoemd. Hij vond ze “opzichtig, vulgair, obsceen”. Hij had veel meer met de kleinere witte of rode bergkersen die hij fijnzinniger vond. In 1948 verschijnt zijn boek “Ornamental Cherries”, over de 129 kersensoorten in zijn tuin.

In de jaren 60 verloor Ingram zijn belangstelling voor de kersenbloesem en richtte hij zich weer op vogels. In 1980 waren in zijn tuin nog maar 23 soorten over. Maar overal in (botanische) tuinen over de hele wereld (ook in Japan) stonden bomen afkomstig van zijn stekken. Collingwood Ingram overleed 101 jaar oud.

Tot slot.

In de epiloog besteedt de schrijfster aandacht aan de huidige herleefde belangstelling voor oude kersenrassen en initiatieven om zeer oude bomen te bewaren. Zoals het aanplanten van verschillende wilde kersensoorten op Fukushima die “kersen van berouw en hoop” worden genoemd. En het redden van een 1500 jaar oude Prunus usuzumi-zakura in een bergdorp.

“Sakura. Hoe een Engelsman de Japanse kersenbloesem redde.” Naoko Abe, uitgeverij Thomas Rap, 2020.

431 pagina;s mooi vormgegeven met foto’s en tekeningen, noten, literatuurlijst, lijsten met soortnamen en tuinen over de hele wereld waar kersenbloesem te zien is.

Dit is een langere blogpost geworden dan ik gewend ben, het gaat dan ook over een honderdjarige!

 

Je stapt gewoon je deur uit: naar de Schammer

Op een van de laatste warme dagen in juni liep ik naar de Schammer, een nieuw natuurgebied op de grens van Amersfoort en Leusden.  Ik begon weer eens langs het Valleikanaal.

Het Valleikanaal

Onderweg naar het Valleikanaal bloeien geurend de lindes. Als ik dat ruik, is de zomer voor mij echt begonnen. Ik loop langs het kanaal in de richting van de Hogeweg. De bouwactiviteiten zijn er nog lang niet klaar. Maar nu ben ik voorbereid en verlaat het voetpad op tijd.

Na de Zwaluwenstraat steek ik de weg over. Tussen de bomen langs het Orpheuspad kom ik bij een grote flat. Via een onderdoortje kom ik weer bij het kanaal, precies bij het sluisje. Aan het eind van het voetpad langs het kanaal steek ik de straat over. Daar is een tunneltje onder de A 28.

Aan de andere kant gaat het voetpad langs het Valleikanaal gewoon verder. Ik volg eerst nog even dit pad. Vorig jaar zag ik hier heel veel distelvlinders en ik ben benieuwd of ze er nu ook weer zijn. Maar helaas, behalve een enkel (groot) koolwitje geen vlinder te zien. Misschien waait het te hard? Daarom hierbij een foto van vorig jaar juni.

De Schammer

Ik loop terug en sla af naar de Schammer. De Schammer is sinds 2011 gemaakt als overloopgebied voor het Valleikanaal en de Barneveldsebeek. Als het water te hoog komt om goed afgevoerd te worden, dan mag dit gebied onder water lopen. Daarnaast is het natuur/recreatiegebied. Vroeger was dit agrarisch gebied, aan de rand ligt nog steeds een boerderij. Nu is het van het Utrechts Landschap.

Het is nog wel erg nieuw naar mijn smaak, met die geasfalteerde paden. Ik volg eerst een stuk langs het fietspad. Links liggen een paar heuveltjes. Ik denk meteen aan afvalbergen. Maar er staan bankjes bovenop, dan zal het wel niet zo zijn. Op de informatiepanelen staat er ook niets over. Misschien zijn ze ontstaan door het uitgraven van de vijvers die ik rechts zie? Ik lees ook iets over flinke hoogteverschillen door een dekzandrug. Natuurlijk ga ik bovenop kijken naar het uitzicht. Maar daarvoor zijn ze niet hoog genoeg, je kijkt niet echt over de bomen heen.

Bij het water zijn vissteigers gemaakt. In het water dobberen jonge, pluizige, zwaantjes. Als ik een foto wil maken komt een grote zwaan fluks aangezwommen. Ik trek me gauw terug: zo’n ouderzwaan kan flinke meppen uitdelen.

Aan de linkerkant staat een flinke rij berenklauwen. En hoewel berenklauwen een slechte naam hebben, want je kunt er lelijke brandwonden van krijgen, is het een prachtig gezicht. Die grote witte kantachtige schermen, die elk op zich weer uit verschillende kleine bloemetjes bestaan.

Van het fietspad af neem ik een smaller wandelpad naar het vogelkijkscherm. Daar kun je uitkijken over het water en vind je ook wat informatie over de vogels die in dit gebied leven. Helaas zijn er op dit moment vrijwel geen vogels te zien. Daarna terug naar het Valleikanaal en weer onder het tunneltje door.

Langs de andere kant van het Valleikanaal loop ik terug, onderweg is een feestje gaande. Er hangen ballonnen in de boom en mensen zitten op kleedjes aan het water. Even verderop verlaat ik het kanaal om nog een boodschap te doen in het winkelcentrum. En je gelooft het niet, maar op het winkelplein staat een oliebollenkraam! Normaal staat die hier in december, maar bij gebrek aan braderieën en kermissen nu ook al. En hij verkoopt ook nog.

Tot slot: De Schammer krijgt van mij het voordeel van de twijfel. Het wordt vast mooi, maar is voor mij nog wat te aangelegd. Maar eerlijk is eerlijk: als ik wel vlinders en vogels had gezien, was ik vast enthousiaster. Het lieveheersbeestje maakte veel goed.

Aan de overkant van de Hessenweg kun je verder in Bloeidaal, ook een nieuwe natuurgebied. Iets ouder (2006), Daarover misschien een volgende keer.

Hier meer info over Bloeidaal en de Schammer

Zomer in de tuin

De zomer is net begonnen. En dat is toch wel de mooiste tijd in mijn tuin. Alles groeit en bloeit. ´s Morgens vroeg (met een schaaltje yoghurt met verse aardbeien) hoor ik alleen het gezoem van insecten. Hommels vooral. Geen gillende kinderen, geen muziek, geen klussende buurmannen. Alleen het gezoem van hommels die vliegen op de salie, het vingerhoedskruid, de lavendel en de klaprozen. Je snapt niet hoe ze dat lukt, die dikke hommels op die dunne blaadjes van de klaproos. Soms zie ik het ook mis gaan als een hommel landt op de klaproos en het blaadje dan naar beneden dwarrelt. Oeps, uit balans….

Ik heb gewoon zin om jullie foto’s te laten zien. Kijk nou toch, hoe mooi! Klaprozen. bloeiende pastinaak en tabaksplanten.

Asclepias. courgette, oost-indische kers, aardbeien en een pot met van-alles-wat-maar-opkomt. In het stukje grijze pvc-buis ben ik begonnen met vetplantjes; om te beginnen een piepkleine “aanwaaier”. 

Het schaduwhoekje met peultjes, rabarber, rode melde, varen en persicaria (red dragon).

Na een warme week komt er nu een week met buien. Ik hoop dat het zo blijft: afwisselend warmte en buien, dan is het niet erg dat ik (bijna) niet wegga deze zomer.

Museum De Pont; bloemen binnen en buiten

Eén van mijn favoriete musea is toch wel De Pont in Tilburg. Het stoere gebouw, de veelzijdige collectie, de vaak verrassende tentoonstellingen en de aardige medewerkers. Het stond dan ook vast dat mijn eerste museumbezoek, zodra het weer kon, naar Tilburg zou zijn.

Nieuwe kennismaking en oude bekenden

De route wordt opnieuw berekend.” Zo heet een van de lopende tentoonstellingen, met kleine autootjes in een grote ruimte. Daar had ik niet zoveel mee. Wel met “Pictures from another wall” , foto’s uit het fotomuseum Huis Marseille. Het was zeer divers werk van verschillende fotografen. Er was geen overkoepelend thema. Het was even wennen om “erin te komen”. Ik moest steeds schakelen tussen de verschillende soorten en stijlen.

Dan werk van Thomas Schütte. Bij de series “Blues men” en “Blues women” viel mij op dat de mannen allemaal een naam hadden, de vrouwen waren naamloos. De medewerkster op de zaal zou er meteen melding van maken. Later toen ik vertrok, kwam ze er nog eens op terug dat ze er echt wat mee gingen doen.

Daarna zag ik een oude bekende: The Greeting van Bill Viola. Een video waarin hij een ontmoeting die 45 seconden duurt uitspint tot tien minuten. Ik kan er naar blijven kijken. Hij raakte geïnspireerd door schilderijen uit de renaissance; die je zou kunnen bekijken als “stills”.

De tuin

Tussendoor nam ik een pauze in de tuin. Dat was een verrassing! Ik kende natuurlijk de kleine tuin direct bij de ingang, door tuinarchitecte Sophie Walker speciaal ontworpen voor de Sky Mirror van Anish Kapoor (foto boven). De achtertuin is na een verbouwing veel zichtbaarder geworden. Hij is niet erg groot, maar lijkt groter door de indeling. Het is een echte bloementuin met graspaden, een paar kunstwerken en een bankje. En er is een terras bij. Ik heb niet kunnen achterhalen of het een nieuw ontwerp is of dat hij er altijd al was.

Ik bracht er een tijd door en maakte best veel foto’s. Daarna ging ik weer naar binnen voor het werk van Marc Mulders, dat vrijwel naadloos aansloot bij de tuin.

Marc Mulders

Over het werk van Marc Mulders is gemakkelijk een aparte blogpost te maken. Misschien doe ik dat nog wel eens. De schilderijen die er hingen had ik vaker gezien. Het zijn velden met bloemen, geïnspireerd op de tuin rondom zijn atelier. De verf is zo dik opgebracht dat je er bijna niet van af kan blijven. De bloemen liggen echt op het doek.

Ik heb het werk van Marc Mulders al vaak gezien. De laatste keer dat ik het zag, had hij schilderijen uitgekozen passend bij gedichten van Joost Zwagerman. Ook op zichzelf zijn zijn schilderijen fijn om te zien, hoewel hij ook duister werk heeft gemaakt. Wat dan weer een heel andere sfeer oproept. Want voor mij doet hij dat: een sfeer oproepen.

Met die sfeer van bloemen, zomer en een tuin in mijn hoofd ging ik weer naar huis.

Kijk hier hoelang de genoemde tentoonstellingen te zien zijn. De tuin is er natuurlijk altijd.

 

 

 

Recyclen in de tuin

Afgelopen vrijdag liet iemand bij “Gardeners World”  zien hoe hij van een oude trampoline met gaas een rek had gemaakt voor fruitteelt. Toen bedacht ik dat ik misschien ook eens wat van mijn recycle-oplossingen kon laten zien.

Het bovenste plaatje spreekt wel voor zich denk ik.

Bescherming tegen vorst, slakken etc.

Doormidden geknipte plastic (azijn)flessen zijn prima te gebruiken om jonge plantjes te beschermen tegen vorst of tegen slakken. Als je ze langdurig gebruikt kun  je beter alleen de bovenkant gebruiken (zonder dop) omdat er dan frisse lucht bij kan. Maar voor een late nachtvorst, kun je ook de bodem gebruiken.

Rechts is een glazen lampenkap. Die gebruik ik om grote planten te beschermen. Bijvoorbeeld een courgetteplant of een dahlia. Ik moet hem wel elke dag controleren, of de slakken zich niet onder het randje hebben verscholen.

Plantensteunen

Je kan ze kopen in allerlei soorten: tonkinstokken, halfronde metalen steunen en ringen. Ik heb ze allemaal, maar vaak voldoet een stevige tak ook. Ik gebruik heel vaak de dikke stelen van de aardperen van het vorige jaar. Die zijn zo stevig dat ze best een seizoen meegaan. En het jaar daarop heb je weer nieuwe voorraad. Want aardperen komen altijd terug.

En dan nog wat: die stokken en takken zijn aan de bovenkant behoorlijk scherp. Als de planten zijn gegroeid, zie je stok soms niet meteen staan. Dan bestaat het gevaar dat je bij het werken in de tuin met je oog in een stok komt. Dat is niet prettig! Vaak zet men er daarom kleine aardewerk potjes overheen . Plastic potjes zijn te licht, die waaien weg. Ik heb niet voldoende kleine potjes, maar ik heb wel altijd enkele handschoenen. Daar knip ik de vingers af en schuif die over de bovenkant van de stok. Hij valt daardoor op en de scherpte is er af

Plantenmandjes etc.

Eigenlijk kun je alles gebruiken om planten in te zetten: hier een fietsmandje voor aan je stuur. Het gaat al een paar jaar mee als hangmand. Dit is wel het laatste jaar: het valt nu bijna uit elkaar.

En een eiermandje, intussen behoorlijk verroest, maar nog steeds te gebruiken voor een hangplantje.

Ook een oude rieten prullenbak, mandjes voor poetslappen, pannen met een aangebrande bodem, een oud teiltje  etc. zijn te gebruiken voor planten die je niet ophangt. Zorg wel voor een paar gaten in de bodem.

Met een beetje fantasie

Als je om je heen kijkt zie je van alles wat bruikbaar is! Een oude vuilnisbak, zonder bodem, werd een compostbakje. Dat neemt veel minder plaats in dan de officiële. Toen mijn clematis nog heel klein was, heb ik hem op weg geholpen met klimmen tegen een rooster uit mijn oude koelkast. Daar is nu niets meer van te zien. Binnenkort heb ik een nieuw wasrek nodig. Het oude wasrek gaat in de schuur voor volgend jaar. Ik wil er kapucijners overheen laten groeien.

En heel erg voor de hand liggend: de bakjes met doorzichtig deksel waarin je eten afhaalt van de toko, zijn buitengewoon geschikt om plantjes in te zaaien. Ze passen ook nog eens prima op de vensterbank.

Het Zocherplantsoen

“Wat vind je van het Zocherplantsoen?” vroeg de gemeente Amersfoort in een enquête. Mijn eerste reactie: “O nee, ze gaan toch niets aan het Zocherplantsoen veranderen”. Meestal is zo’n enquête bedoeld om plannen uit te voeren die er toch al zijn. “Het Zocherplantsoen is populair. Maar het groen staat onder druk. Om er goed voor te zorgen, moeten we beschrijven wat we belangrijk vinden aan het park en hoe we dat willen behouden. Dat leggen we vast in een visie. Daarom willen we van jou als gebruiker horen wat je van het park vindt.” 

Geschiedenis

Het Zocherplantsoen is ontworpen door twee architecten. Hendrik van Lunteren legde in 1829-1843 het eerste stuk aan, dat liep waar nu de Stadsring is. Helaas bestaat een groot deel daarvan niet meer. Jan David Zocher jr. nam van 1837-1843 het andere stuk voor zijn rekening. Officieel heet het Plantsoen Oost, -West, – Noord en – Zuid. In de loop der jaren raakte het in verval. In de periode 2000-2007 is het gedeelte dat toen nog bestond heringericht.

Plantsoen ter hoogte van de Scheltussingel

Jan David Zocher jr. (1791-1870)

De Zochers waren een architectenfamilie en Jan David jr. was niet de minste. Als 18-jarige won hij een prijsvraag die was uitgeschreven door Napoleon, waardoor hij in Parijs kon studeren. Daarna won hij de Prix de Rome en verhuisde hij naar Rome. In 1815 kwam hij terug in Nederland. Vanaf toen kreeg hij veel opdrachten voor parken en tuinen. De tuin van paleis Soestdijk bijvoorbeeld. In verschillende steden zijn Zocherparken.

Hendrik van Lunteren (1780-1848)

Hendrik van Lunteren was behalve tuinarchitect ook kweker op de kwekerij “Flora’s Hof” in Utrecht. Er is achter de Domtoren nog steeds een restant van te zien. Het was oorspronkelijk veel groter, er stonden kassen, een oranjerie en een pomp. Die pomp is er nog. Het is een verborgen oase in de stad. Van Lunteren werkte vooral in Utrecht. Hoewel hij ook Het Valkhof in Nijmegen ontwierp. Hij maakte een nieuw ontwerp voor de parken Randenbroek en Heiligenberg in Amersfoort. Jammer dat het deel van het plantsoen dat hij ontwierp er niet meer is. Ik stel me zo voor dat hij als kweker veel bloemen zou gebruiken.

Plantsoen ter hoogte van de Monnikendam

Groene gordel

Het plantsoen ligt op de voormalige tweede stadsmuur. (Op de oudste stadsmuur liggen de Muurhuizen.) Het is dus nergens breed, eigenlijk is het meer een groene gordel. De beide heren ontwerpers kozen voor de Engelse landschapsstijl, die toen zeer geliefd was. Deze stijl kenmerkt zich door glooiend terrein met bochtige  paden, zodat je al wandelend steeds een ander zicht hebt. Er wordt veel gebruik gemaakt van licht en donker, open en dicht, romantische doorkijkjes. Daardoor lijkt het op sommige plaatsen breder dan het in werkelijkheid is. Langs een deel loopt een gracht. Oorspronkelijk liep deze gracht langs de hele stadsmuur, maar een groot deel is verdwenen.

Herinrichting

Hoewel het idee was om de oorspronkelijke stijl te herstellen, is het niet een eenvormig geheel geworden. Op het ene stuk is het voetpad verbreed en is het plantsoen alleen voor voetgangers. Op een ander stuk liggen een voetpad en fietspad naast elkaar. Er kwam een pannaveldje en een kunstwerk van Couzijn van Leeuwen. er werden bloembollen geplant en er werd flink gesnoeid. Vroeger plukte ik hier vlierbessen voor jam, maar de vlierbomen zijn weggehaald. Op het stuk bij de Monnikendam staan nog veel oude bomen, zoals grote kastanjes. Er is zelfs een bomenwandeling uitgezet, waarbij je kennismaakt met de vele soorten bomen.

De binnenstad in een notendop

Het is jammer dat je niet meer helemaal rond kan lopen. Het plantsoen houdt nu op bij het stadhuis en gaat dan pas weer verder bij de Arnhemsestraat.

De oude Joodse begraafplaats

Toch, als je helemaal rond door loopt dan zie je de hele binnenstad in een notendop.

Je begint bij de Amersfoortse keien. dan kom je langs historische gebouwen als de Monnnikendam en het voormalig klooster Mariënhof.

Je ziet restanten van de oude stadsmuur langs de Scheltus- en de Flierbeeksingel.

Weer verderop kom je langs theater De Flint en de de oude joodse begraafplaats bij de Bloemendalsestraat.

Daarna langs de overbekende middeleeuwse Koppelpoort en het moderne glazen gebouw van de Rijksdienst voor cultureel erfgoed.

 

Voor mij is het plantsoen een mooie groene aanlooproute naar de binnenstad. Linksom of rechtsom, er is altijd wel wat moois te zien.

restant van de stadsmuur

Hier vind je de bomenwandeling

Hier de enquête van de gemeente Amersfoort (nog tot 20 juni 2020)