Het Alhambra, strategisch spel van licht en donker

Vorige week was ik in het Alhambra in Granada. Ik heb geaarzeld om er een blog over te maken. Want er zijn boeken vol geschreven over de geschiedenis, over de verschillende bouwstijlen, over de heersers die er woonden enz. enz. Daar valt niks meer aan toe te voegen. Bovendien, als je het over de vroege Arabische (Moorse) geschiedenis van Spanje hebt, vallen er al gauw woorden die nu een heel andere betekenis hebben gekregen. Het Kalifaat van Cordoba bijvoorbeeld. Toch, het blijft een feit dat in het jaar 750 wat we nu kennen als Spanje tot aan de Pyreneeën onder Arabisch bestuur stond en dat dat een hoogstaande cultuur was.

Verzameling paleizen gebouwd vanaf 1232

Het Alhambra is een verzameling gebouwen in oosterse (moorse) stijl, vooral paleizen, aan de rand van Granada. Men begon met de bouw in 1232, toen de invloed van de machthebbers (Nazrieden) al afbrokkelde. Na de val van Granada in 1492 kwam er ook nog een Renaissance paleis bij voor Karel V, dat naast de andere gebouwen behoorlijk lomp oogt. Hij heeft er nooit gewoond. In later eeuwen raakte het Alhambra totaal in verval. Totdat in 1828 de Amerikaan Washington Irving er een tijdje logeerde en zijn boek “Tales of the Alhambra” schreef. Dit bracht het toerisme naar het Alhambra op gang.

Spel van licht en donker

Heb vooral geen romantische ideeën bij de opzet van de gebouwen: het hoofddoel was imponeren. Daarvoor werd slim gebruik gemaakt van licht en donker. De bezoeker kwam vanuit het daglicht binnen via een donkere gang. In de ontvangstzaal zat de heerser met de rug naar het raam, waardoor je zijn gezicht nauwelijks zag. De gast was dus steeds in het nadeel. Het is nog steeds bijzonder om te zien hoe knap er gebruik gemaakt is van licht en donker.

Tegels en gips

De versieringen van de paleizen waren uitbundig en kleurrijk, bedoeld om indruk te maken. Daar is nu weinig van terug te zien omdat veel kleur op de gipsen versieringen verbleekt of verdwenen is. Dat geeft een ingetogen sfeer, maar het was oorspronkelijk veel uitbundiger! De gekleurde tegels zijn nog wel goed te zien. Het schijnt dat Escher een aantal keer het Alhambra heeft bezocht en geïnspireerd werd door de tegelmotieven. Veel versieringen zijn in de vorm van teksten uit de koran.

De tuinen

Er zijn een paar binnentuinen, met o.a. sinaasappelbomen. De sinaasappels waren (en zijn) niet voor consumptie, maar voor de sier. Vooral in het voorjaar geurde de tuin heerlijk naar de sinaasappelbloesem. Het is een ander soort dan de eetbare, het verschil zit (behalve in de smaak) in de bladvorm. Verder is er altijd water: een vijver of een fontein. De tuinen zagen er niet bijzonder goed onderhouden uit.

Het grootste tuinencomplex ligt buiten de gebouwen: het Generalife. Een verbastering van de Arabische naam die “paradijs van God” kan betekenen. Dit was het buitenverblijf van de sultan, door het gebruik van water en bomen was het er koeler.

Je kon er beschut wandelen. Er is een verhaal over een van de vrouwen van de sultan die in de tuin betrapt werd met een minnaar. De arme man werd met zijn familie uitgenodigd voor een etentje ten paleize. Hoe kon je weigeren? Ze werden allemaal vermoord.

Zo wandel je door een bitterzoet paradijs.

De tuinen zijn in de loop der jaren uitgebreid, veranderd en aangepast en worden goed onderhouden. Er is een moestuin, ik zag nog asperges, snijbiet en kruiden. Er zijn rozenperken, hier en daar bloeide er nog een roos. Langs paden met bloemen kwam je in tuinen met heggen en rozenbogen.

Het is november en ook al waren we in Spanje, toch was veel al uitgebloeid. Hier nog wat bloei in de borders langs de paden.

Tot zover mijn hoogstpersoonlijke impressie van mijn bezoek aan het Alhambra in een regenachtig Granada.

Een volgende keer nog meer Spaanse natuur.

Langs de Heiligenbergerbeek

Afgelopen zomer stapte ik de deur uit voor een wandeling langs de Eem. Maar je kunt hier alle kanten op. Deze keer ging ik op zoek naar de herfstkleuren. Eerst een beetje kriskras door het centrum, via het plantsoen, langs de Monnikendam. Dit is een waterpoort. Hier komt de Heiligenbergerbeek vanaf Woudenberg de stad binnen om via de grachten verder te stromen in de Eem.

 Monnikendam

Tegenover de Monnikendam begint het Heiligenbergerbeekpad, dat loopt langs de beek naar Park Randenbroek. In het park herfstkleuren overal. Jammer dat het grote huis nog steeds achter bouwhekken staat. Er zou een restaurant in komen. Hoewel, ik niet weet of dat zo´n goed idee is: het lijkt wel of in elk pand dat leeg komt in de stad horeca komt.

Uit het park gekomen, steek ik de weg over naar het terrein van het oude Sint Elisabeth-ziekenhuis, dat nu “Elisabeth Groen” heet. Het gebied ligt aan weerszijden van de Heiligenbergerbeek. Hier wordt nieuwe natuur “gemaakt”.  Aan de ene kant zijn bomen gekapt en in het open terrein zijn wilde planten ingezaaid. Aan de andere kant is ruimte gemaakt voor moerasgebiedjes (foto). Er ligt ook nog steeds een grote berg puin van de sloop.

Af en toe ga ik kijken wat hier gebeurt. In de zomer stond het er vol bloemen, nu is het een beetje kaal.

Aan het eind van het pad langs de beek kun je rechtsaf: een smal pad tussen de volkstuinen en de sportvelden. Niet het leukste stukje, je loopt ook nog even langs de grote weg, maar al snel kom je uit op een “bospad” in de wijk Dorrestein.

Hier is een een tunneltje onder de A 28 naar de Lockhorsterweg. Je kunt wel zien dat Amersfoort wat met Mondriaan heeft. Ook de graffiti is op Mondriaan geïnspireerd.

Ik steek de Lockhorsterweg over en ga rechtdoor het Lockhorsterbos in. Dit is een klein bosgebied van het Utrechts Landschap, daar zie ik ook de Heiligenbergerbeek weer terug.

Tot mijn teleurstelling zie ik maar weinig paddenstoelen. En die ik zie, zijn vrijwel allemaal al ver op hun retour. Ik spreek een mevrouw die denkt dat dit door de vele regen van de afgelopen tijd komt. Dat kan best kloppen: deze paddenstoeltjes die beschut staan, zijn nog wel in vorm.

Het licht in het bos is zo mooi, dat foto’s maken erg verleidelijk is. Toch valt het me niet makkelijk om het licht goed te vangen, want de contrasten zijn erg groot.

Het licht langs de Heiligenbergerbeek in het Lockhorsterbos

Ik kom het bos uit vlakbij de theetuin/biologische winkel “De Heyligenberg“. Ik dacht er even wat te drinken, maar men is nogal druk met een groepje. Als er na een tijdje nog een grotere groep arriveert, houd ik het voor gezien. Als je even zit, wordt het toch best koud. Ik geloof niet dat het ze is opgevallen.

Ik ga verder naar de Heiligenbergerweg. Deze weg loopt dwars over het voormalige landgoed Heiligenberg. Aan de ene kant ligt het huis met koetshuis en tuin. Aan de overkant van de weg een grote vijver en een duiventoren.

De duiventoren van landgoed De Heiligenberg.

Hier kan ik over een viaduct de grote weg weer oversteken. Na het viaduct kom ik opnieuw in het gebied van Elisabeth Groen, maar dan aan de andere kant van de beek. Even later steek ik de weg weer over naar het Park Randenbroek. De tuin van de dahliavereniging is al kaal. Een enkeling is nog bezig planten te rooien. Langs het park loop ik verder naar de Stadsring en dan via een ander stukje plantsoen weer terug naar huis.

Daglicht, Judith Herzberg

Ik zocht naar een gedicht over de herfst. Maar alles wat ik vond ging over regen, doodgaan en verval. Toen dacht ik aan dit gedicht van Judith Herzberg. Ik noem het “Scarlatti”, maar in werkelijkheid heet het “Daglicht”. Het doet mij denken aan de zomer, misschien door de lichtheid. Toch gaat het niet speciaal over de zomer. Apart, hoe associaties werken. Ik denk aan een zondagmorgen, ontbijt met mooie muziek op de achtergrond, het gordijn zachtjes bewegend voor het open raam. Ach, waarom zou je in november niet aan de zomer denken?

 

Daglicht

Uit chaos van lakens en 
voorgevoel opgestaan, gordijnen
open, de radio aan, was
plotseling Scarlatti
heel helder te verstaan:
Nu alles is zoals het is geworden,
nu alles is zoals het is
komt het, hoewel, misschien
hoewel, tenslotte nog in orde. 

Judith Herzberg,

uit de bundel “Zeepost “, 1964

Landgoedwandeling Windesheim

Een mooie dag in de herfstvakantie, dat vraagt om een wandeling. Het werd de Landgoedwandeling Windesheim (bij Zwolle).

De buschauffeur had het al gezegd: “Daar lopen veel wandelaars”. En ja, vlakbij het dorp Windesheim, met kloosterboerderij, kerk en ruïne, lopen veel mensen.

Maar zodra ik over het bruggetje het landgoed op loop ben ik alleen. Het landgoed Windesheim is 580 ha groot en is hoofdzakelijk agrarisch gebied. Het park is in de 18e eeuw aangelegd in Engelse landschapsstijl. Ik loop langs beukenlanen en zie ook een enorme taxus. Het is er behoorlijk drassig en ik zie veel paddenstoelen, zoals deze (inktzwam die op is ? en bundelmycena?). Uiteindelijk kom ik over een karrenspoor langs een boerderij weer op de weg.

Aan de overkant van de weg ga ik de IJsseldijk op. Het is heerlijk lopen op de grasdijk. In de verte vaart een schip voorbij en hoor ik een troep ganzen. In het gras onderaan de dijk staan alweer paddenstoelen, vooral deze geschubde inktzwammen staan er veel. En ach, ook nog een distelvlinder. Hij verroert zich niet, zelfs niet als ik dichtbij kom. Ik vermoed dat hij aan zijn eind is, zo weerloos midden in het veld.

Ik klauter de dijk weer op en ga verder naar natuurreservaat Tichelgaten, ontstaan uit leemputten van een steenfabriek. Hier kom ik ook weer andere wandelaars tegen. Het is een vogelgebied. Bij de vogelhut zijn er weinig te zien. Vanaf een bruggetje zie ik een grote groep meerkoeten en aan de kant slobberende zwanen. De jonge zwanen slobberen, de volwassen zwaan kijkt toe. Het klinkt enorm hard, dat geslobber.

Na het vogelgebied kom ik weer in het dorp terecht, langs het toegangshek van huis Windesheim. De tuin, die is aangelegd door Springer, is niet toegankelijk. (Maar ach, Amersfoort heeft een “Springerplantsoen”). De theeschenkerij  (“Koffie met appeltaart“) is gesloten. Ik neem direct de bus terug naar Zwolle.

Deze wandeling van 10 km. is een van de 12 “Mooiste landgoedwandelingen in Salland” (uitgeverij Gegarandeerd Onregelmatig). Ook te downloaden op de Wandelzoekpagina.

Herfst in de oude hortus

Afgelopen weekend strandde ik met de trein in Utrecht. Ik was op weg naar de Nana’s van Niki de Saint Phalle in Scheveningen. Maar: wisselstoring, trein opgeheven, volgende trein ging ook niet en “het is nog onbekend hoe lang dit gaat duren”. Pech dus.

Ik wist dat rondhangen op het station mijn humeur niet zou verbeteren en besloot om dan maar Utrecht in te gaan. Al wandelend kwam ik bij de oude hortus, die nog steeds gewoon open is. Het was er al echt herfst:  hier en daar bloeide nog wat, maar bessen, vruchten en zaden voerden de boventoon. Het was een mooie dag met zacht, stil weer. Ik ging af en toe op een bankje zitten en ik maakte natuurlijk wat foto’s. Heerlijk na alle regen van de afgelopen week! Hoewel ik begrijp dat het in het zuiden des lands wel geregend heeft.

Zaden van de Acanthus en de stelen van de Karmozijnbes.

De exotisch uitziende vruchten van de Clerodendrum:

De gele vruchten van de citroenstruik, ze lijken op appels, maar zijn niet eetbaar. Het is de Poncirus trifoliata, een citrussoort uit Japan.

Ook uit Japan komt de kakiboom en deze vruchten zijn wel eetbaar. Ik at ze voor het eerst in Japan. In deze tijd, oktober-november, kun je ze ook in Nederland bij de groenteboer kopen. Ze zijn er maar kort dus als je ze ziet, probeer er eens één. Het is een stevige, zoete vrucht die in een fruitsalade kan. Maar je kunt hem ook verwerken in warme gerechten, ovenschotels bijvoorbeeld.

De zaden van de Agapanthus en ook nog even de hortuskat.

Oost-Indische kers (Tropaeolum majus)

Oost-Indische kers (Tropaeolum majus) is een rankende, soms ook klimmende eenjarige. Zelfs nu nog zorgen de vrolijk gekleurde bloemen voor kleur in de tuin. In tegenstelling tot wat de naam doet vermoeden, komt de plant uit Midden Amerika. Waarschijnlijk is “kers”  afgeleid van de Engelse naam Cress of het Duitse Kresse.

De Oost-Indische kers stelt weinig eisen aan de grond en doet het goed in zon en schaduw. Deze zomer had de plant het door de droogte wat moeilijk, maar door het vochtige weer leeft ze nu helemaal op. Er zijn verschillende soorten, allemaal met dezelfde helder oranje of gele bloemen, soms rood. Hoewel eenjarig, hoef je toch maar één keer te zaaien. De plantjes overleven de eerste nachtvorst niet, de zaden wel. Elk voorjaar sta ik weer handenvol plantjes uit te trekken, die dan lekker in een omelet of in een groen voorjaarssoepje kunnen.

Nuttig in de moestuin

Je kunt Oost-Indische kers gewoon voor de sier in de tuin zaaien. Maar het plantje heeft meer kwaliteiten. Tussen de koolplanten zorgt ze door geur en kleur voor verwarring bij het koolwitje:”Staat hier nou kool of niet?” Voor alle zekerheid legt ze dan haar eitjes op het blad van de Oost-Indische kers.

Oost-Indische kers houdt luizen weg bij planten in haar buurt. Draai eens een blaadje om en vaak zie je dan de luizen rond het steeltje zetten. Toch lijkt de plant daar zelf niet onder te lijden.

Alles is eetbaar

De blaadjes: de eerste jonge blaadjes kunnen in de soep, in een omelet of je maakt er pesto van. Fijngesneden grote bladeren geven een salade een pittige, peperige smaak. Let wel even op eventuele luizen op de achterkant.

De bloemen: een handvol gestrooid over de salade of de pasta maken je gerecht af.

De zaden: de mooi ronde zaden kunnen worden ingelegd als kappertjes. Neem hiervoor zaden die nog lichtgroen en zacht zijn. Was ze en zet ze een nacht in koud water met zout. Leg ze daarna in azijn, gekruid met dragon, zwarte peperkorrels, kruidnagels en laurierblad en breng het geheel aan de kook. Als de zaden dan nog hard zijn, laat je ze wat langer koken. Maar ze moeten wel heel blijven. Doe ze met de kruidenazijn over in potjes en laat tenminste drie maanden staan voor gebruik.

Als alles uit de moestuin wel zo’n beetje is geoogst, laat ik de Oost-Indische kers de tuin overnemen. Tot de eerste nachtvorst heb ik dan een tapijt van groene blaadjes en oranje/gele bloemetjes. Bijna is het weer zover.

 

 

 

Rood met witte stippen en nog meer

De herfst komt met paddenstoelen.

En de herfst heeft onherroepelijk toegeslagen. Vrijwel elke dag regen ik wel een keer nat. Hèt weer voor paddenstoelen. En die zijn er in groten getale.

In de krant las ik dat er zeldzame soorten bedreigd worden met uitsterven. Afgelopen woensdag liepen we een rondje door het Renkums Beekdal en ik zag een heleboel verschillende soorten. Sommigen kende ik: de vliegenzwam hierboven, het porseleinzwammetje zag ik en de honingzwam. Veel soorten kon ik niet benoemen. Ik heb ook geen idee of er een zeldzame tussen zat.

Gewoon een paar foto’s, voor namen houd ik me aanbevolen!