Japanse cipres (Cryptomeria japonica)

Afgelopen week had het Sieboldhuis een online-lezing met de titel

Cryptomeria japonica roept vragen op”.

Bij mij had deze boom nog nooit een vraag opgeroepen. Simpelweg: ik had er nog nooit van gehoord. Reden om me aan te melden. De lezing werd gegeven door Rinny Kooi (bioloog aan de Leidse universiteit). Ik zocht er wat informatie bij in tuinbladen en zo heb ik weer wat bijgeleerd.

Franz von Siebold (1796-1866), arts en plantenverzamelaar, ontdekte de Cryptomeria in Japan en bracht hem mee naar Europa. In die tijd kwam de boom alleen voor in Japan en China.

De naam is afgeleid van het Griekse krypto (verborgen) en méros (deel). Dat verwijst naar de zaden die verborgen zitten onder de schubben.

Wat is er zo bijzonder?

Cryptomeria is de nationale boom van Japan, de Japanse naam is Sugi. Vroeger stond hij vooral bij tempels. Volgens het Shintoïsme, dat uitgaat van bezielde natuur is Cryptomeria een heilige boom. Hij is één van die oeroude planten die miljoenen jaren geleden al op aarde waren en sindsdien nauwelijks veranderd zijn. Zoals de Ginkgo biloba en veel varens bijvoorbeeld. In Japan komen bomen voor van 4000-5000 jaar oud.

Ook een bijzonderheid: het is een monotype. Het geslacht Cryptomeria bestaat maar uit één soort: Cryptomeria japonica. In de loop der jaren is er heel veel mee gekweekt en er zijn tientallen varianten, zoals de Cryptomeria japonica Elegans, C.j. Cristata of C.j. Winter bronze. Allemaal zijn ze afgeleid van de oerboom. Natuurlijk zijn er meer bomen die cypres genoemd worden, zoals de moerascypres of de Amerikaanse cypres. Maar die horen allemaal bij het geslacht van de Taxiodiaceae.

En nu?

cryptomeria jap.4Inmiddels is de Cryptomeria breed verspreid. In ons land wordt hij Japanse cipres of Japanse ceder genoemd. En vanwege de sikkelvormige schubben ook wel eens Sikkelden.

Er zijn meer dan 50 cultivars (stand van 2016), misschien intussen nog meer. Ze worden gestekt of geënt. Er zijn er die speciaal opvallen door de mooie oranje-bruine stam. Er zijn dwergvormen, die je in een pot kan zetten. Toch vind je de boom vooral in parken, botanische tuinen en arboreta zoals Trompenburg (in Rotterdam), de Leidse Hortus of Pinetum Blijdenstein (Hilversum).

In Japan kan hij zeker 20 meter hoog worden, ook al groeit hij maar langzaam. Hij heeft tenslotte de tijd want hij kan duizenden jaren mee. In Nederland wordt hij minder hoog.

Cryptomeria is te koop bij goede boomkwekers in Boskoop bijvoorbeeld, maar ik zag ze (in pot) ook op de website van een bekend tuinwarenhuis. Hij is vrijwel winterhard, alleen de hele jonge exemplaren moet je tegen de vorst beschermen. Hij staat bij voorkeur op een plek in lichte schaduw. Hij groeit niet hard en laat zich makkelijk snoeien, ook in vormsnoei en zelfs tot een haag.

Voor wie nog meer wil weten is er een boekje van Rinny Kooi: “The Japanese Cedar” (in Nederlands, Engels en Japans). Te koop in het Sieboldhuis in Leiden, bij Uitgeverij Ginkgo en waarschijnlijk ook bij je eigen boekhandel.

Kersenbloesem in Almere

DSCN8137 (2)

Afgelopen weekend tweette Vera van “VeraWandelt” jaloersmakende foto’s van de kersenbloesem in Almere. Toen ik erop reageerde stuurde ze me een route “Rondje Regenboogbuurt” (6 km), met het advies erbij dat ik wel snel moest zijn anders waren ze uitgebloeid. De volgende dag nam ik de trein naar Almere.

In Japan is de kersenbloesembloei ( Sakura) een nationale gebeurtenis (Hanami Matsuri). Jong en oud gaat er op uit om de bloesem te zien. Die bloei is maar kort en in het noorden van Japan is hij later dan in het zuiden. Daarom wordt de bloeiperiode aangekondigd zoals bij ons het weerbericht. Zodat je weet wanneer je eropuit moet.

Als je meer wil lezen over de geschiedenis van de kersenbloesem in Japan, lees dan het boek “Sakura. Hoe een Engelsman de Japanse kersenbloesem redde” van Naoko Abe (of mijn blog van vorig jaar hierover).

DSCN8131 (2)Maar je hoeft dus niet naar Japan. Ook in Almere is de bloei te zien. In de Regenboogbuurt zijn maar liefst 800-850 sierkersen (Prunus) aangeplant die allemaal tegelijk in bloei staan. 

Het is een lichtroze, bijna witte soort met kleine bloempjes. Er zijn zoveel soorten Prunus dat ik niet weet welke soort dit is. Maar het is niet de bekendere felroze Prunus Kanzan.

Er waren op deze maandagmiddag nog meer mensen foto’s aan het maken, het is ook een sprookjesachtig gezicht. Echt druk was het niet.

Bijzondere architectuur

De Regenboogbuurt blijkt ook een wijk met bijzondere architectuur te zijn. Verschillende architecten werkten er aan mee en het geheel is een eerbetoon aan de Duitse architect Bruno Taut.

DSCN8134 (3)De straten hebben allemaal kleurennamen. De huizen in de Minthof zijn mintgroen, in de Terracottastraat terracottarood en in de Kakistraat, kakibeige enz.  Helemaal consequent is het niet, zoals een gedichtje op dit huis laat zien. 

Dit maakt het “Rondje Regenboogbuurt” ook de moeite waard in andere tijden. 

Kijk bijvoorbeeld eens naar deze huizen. Dat je elke morgen wakker wordt in zo’n torentje en dan uit het raam kijkt welk weer het vandaag is.  

DSCN8122 (2)

De tuinen in deze wijk stellen niet veel voor. Bij de grotere huizen staan veel auto’s. blijkbaar wordt er vooral thuisgewerkt op deze gewone maandag. Bij de kleinere huizen zie ik vooral “grondstofcontainers”. Dat doet me denken aan het programma van de altijd scherpe Teun van de Keuken. In “De Vuilnisman” zoekt hij uit of het waar is dat ons afval ineens grondstof is geworden. Hier in Almere vinden ze van wel: op elke container staat “grondstof”. 

Almeerse keien

DSCN8139 (2)

En dan kwam ik ook nog langs deze keien. Wat doen die daar? Amersfoort heeft de naam van “keistad“, maar Almere? Daar wilde ik het fijne van weten. Het is een kunstwerk, “Vondst” gemaakt door Ria Smit. Betonnen keien, geïnspireerd op de oeroude zwerfkeien die naar boven kwamen bij de drooglegging van Flevoland.  

DSCN8141 (2)

Lees hier over de architectuurwandeling in de Regenboogbuurt die Vera maakte. 

Over Sakura door Naoko Abe

Sakura

Hoe een Engelsman de Japanse kersenbloesem redde

Dit boek van Naoko Abe, een Japanse journaliste, over Collingwood “Cherry” Ingram (1880-1981) en zijn fascinatie voor de Japanse kersenbloesem, gaat tegelijkertijd over veel meer. Het boek geeft ook een blik in de Japanse geschiedenis vanuit Japanse perspectief.

Collingwood Ingram was de jongste zoon van een rijke ondernemer in Kent. Hij was te ziekelijk om te studeren en zwierf hele dagen vogelspottend in het veld. Ik heb daar wel vraagtekens bij, want later was hij gezond genoeg om de halve wereld over te reizen, hij was in WO I in Noord Frankrijk en werd uiteindelijk 101 jaar.

“Japonisme” in Europa. 

In de jaren na 1886 opende Japan zich voor westerse bezoekers. Daar ging wel een burgeroorlog aan vooraf tussen voor- en tegenstanders. Toen de samoerai die verloren hadden, liet Japan tussen 1886 en 1900 honderden westerlingen binnen. Die brachten Japanse kunst naar Europa. Vincent van Gogh bijvoorbeeld verzamelde Japanse kunst. Ook de Japanse deelname aan de Wereldtentoonstelling in 1900 hielp mee. Japans werd een hype zouden we nu zeggen. Zo ontstond het “Japonisme”. In 1902 en 1907 maakte Ingram twee botanische reizen (nou ja, een ervan was zijn huwelijksreis!) naar Japan waar hij gegrepen werd door de vele soorten Japanse sierkersen.

Kweken, enten, kruisen in Kent.

Ingram verliet de vogels en richtte zich op het kweken van sierkersen. Hij nam stekken mee van wilde kersensoorten en van gekweekte. In die tijd had elk Japans eiland andere soorten sierkersen. Afhankelijk van klimaat bloeiden ze op verschillende tijden tussen februari en mei. Met kleine bloemen of juist heel grote, van wit tot rood. Ingram begon in zijn eigen tuin met kweken, enten en kruisen van kersenbomen, alleen vanwege de bloesem. Zijn missie was zoveel mogelijk soorten zo breed mogelijk verspreiden. Hij deelde genereus links en recht stekken uit. Tijdens de Eerste Wereldoorlog verdwenen veel sierkersen weer uit de tuinen ten gunste van eetbare gewassen. Na de oorlog begon hij opnieuw met stekken uit diverse botanische tuinen.

Maar hij wilde terug naar de bron en in 1926 reisde hij opnieuw naar Japan. Het werd een enorme teleurstelling. Japan was in hoog tempo verwesterd. Veel kersensoorten waren verdwenen door wegverbredingen, verwaarloosde tuinen en natuurrampen. Er was vrijwel geen interesse meer voor de verscheidenheid van soorten. Als er al kersenbomen werden geplant dan was het de gekloonde zachtroze (Prunus x yedoensis) somei-yoshino. 

Alleen bij oude tempels in Kyoto vond hij nog oude rassen. Hij legde contacten met Japanse kersenbloesemkenners, die het verlies van de soorten ook betreurden. Hij besloot het land zijn kersenbloesemsoorten terug te geven. In de jaren daarna stuurde hij vele stekken naar Japan, die lang niet allemaal goed aankwamen. Soms verdroogd, soms verrot. Het meest succesvol was ze te verpakken in een uitgeholde aardappel en ze niet te verschepen maar met de trein via China te versturen.

De kersenbloesem in de oorlog in Japan.

Deze episode doe ik wat uitgebreider. Omdat het een paar hoofdstukken in het boek beslaat, ik er vrijwel niets van af wist en het me zeer raakte.

De “kersenbloesemschouw” (hanami) was van oudsher het begin van de lente. In sommige dorpen begon men rijst te planten als de kersenbomen gingen bloeien. Vanaf de jaren 30 werd de kersenbloesem ook verbonden met opoffering voor het vaderland en de keizer. Overal plantte men de zachtroze somei-yoshino, die allemaal tegelijk bloeiden. Was de kersenbloesem eerst een symbool van nieuw leven en het aanbreken van de lente, langzaam verschoof dit en werd de vallende bloesem symbool van de dood. Soldaten werden in liedjes “kersenbloesembroeders” genoemd. Het was een eer om voor keizer en vaderland te vallen als kersenbloesem op het tempelplein. Dit werd een ware cultus in WO II: op de vliegtuigen van kamikazepiloten was roze kersenbloesem geschilderd. De schrijfster ging op zoek naar verhalen over kamikazepiloten en betwijfelt zeer of al die jongens (van soms maar 17,18 jaar) ook echt zo eervol en blijmoedig hun dood tegemoet vlogen. Het is hartverscheurend om te lezen. Veel Japanners konden na afloop van de oorlog niet bevatten dat de keizer niet goddelijk was. Het land bleef verwoest en ontgoocheld achter.

Na de oorlog werd in Japan geleidelijk weer kersenbloesem geplant en begon men langzaamaan weer met de “kersenschouw”, het bewonderen van de kersenbloesem in de lente. Dat gebeurt nog steeds, maar dat de kersenbloesem zo beladen was geweest, wist ik niet.

De schrijfster verbloemt misdaden in de Japanse kampen niet. Ingrams schoondochter zat in zo’n kamp in Hongkong. Na de oorlog, haatte ze alles wat Japans was.

Intussen in Kent.

Hoewel ook Kent oorlogsschade had, stond het in geen verhouding . “Cherry” Ingram was inmiddels een erkend kersenbloesemexpert. Na de oorlog werd de kersenbloesem populair in Engeland. Overal werden ze aangeplant, op schoolpleinen, langs wegen en in parken en tuinen. Tot zijn verdriet koos men vaak voor de grote dubbelbloemige Prunus “kanzan” ook Prunus sekiyama genoemd. Hij vond ze “opzichtig, vulgair, obsceen”. Hij had veel meer met de kleinere witte of rode bergkersen die hij fijnzinniger vond. In 1948 verschijnt zijn boek “Ornamental Cherries”, over de 129 kersensoorten in zijn tuin.

In de jaren 60 verloor Ingram zijn belangstelling voor de kersenbloesem en richtte hij zich weer op vogels. In 1980 waren in zijn tuin nog maar 23 soorten over. Maar overal in (botanische) tuinen over de hele wereld (ook in Japan) stonden bomen afkomstig van zijn stekken. Collingwood Ingram overleed 101 jaar oud.

Tot slot.

In de epiloog besteedt de schrijfster aandacht aan de huidige herleefde belangstelling voor oude kersenrassen en initiatieven om zeer oude bomen te bewaren. Zoals het aanplanten van verschillende wilde kersensoorten op Fukushima die “kersen van berouw en hoop” worden genoemd. En het redden van een 1500 jaar oude Prunus usuzumi-zakura in een bergdorp.

“Sakura. Hoe een Engelsman de Japanse kersenbloesem redde.” Naoko Abe, uitgeverij Thomas Rap, 2020.

431 pagina;s mooi vormgegeven met foto’s en tekeningen, noten, literatuurlijst, lijsten met soortnamen en tuinen over de hele wereld waar kersenbloesem te zien is.

Dit is een langere blogpost geworden dan ik gewend ben, het gaat dan ook over een honderdjarige!

 

Groen dagje Leiden

Ik was in Leiden voor de tentoonstelling over middeleeuwse tuinen in het Rijksmuseum voor Oudheden. Maar die viel me wat tegen, ik was er vrij snel doorheen. In hetzelfde museum is ook een mooie verzameling glas te zien. Als je er toch bent, ga zeker naar “Glas” kijken. Dat heb ik wel eens vaker: ik ga voor een speciale tentoonstelling, maar dan ontdek ik als “bijvangst” iets wat ik eigenlijk veel leuker, mooier of interessanter vind.

Hortus botanicus

Ik had nogal wat tijd over en ging lunchen in de Hortus, een stukje verderop aan het Rapenburg. Het hortusrestaurant is net verbouwd. Het was altijd een beetje krappe bedoening, maar nu kun je er heerlijk ruim zitten. Na de groentequiche liep ik de tuinen in. De Leidse hortus is de oudste in ons land. Hij heeft een heel eigen sfeer. Dat komt vooral. door de Japanse-Chinese connectie die er van oudsher is.

Zo is er een “Sieboldgedenktuin” in Japanse stijl. Von Siebold was een Duitse arts die tussen 1821 en 1829 op het Japanse eiland Deshima woonde en in die periode enorm veel planten ( plm.700 !) uit Japan naar ons land heeft gestuurd. Een stukje terug aan het Rapenburg ligt het “Sieboldhuis”, een klein maar fijn Japanmuseum. Daar schreef ik deze winter al eens over: “De poëzie van de Japanse natuur”.

De hortus heeft ook een Chinese kruidentuin, met geneeskrachtige Chinese kruiden omheind door dikke bamboestokken. Deze tuin is er nog niet zo lang en moet nog wat doorgroeien. Maar het ziet er wel leuk uit en er zijn duidelijke naambordjes (ook in het Chinees).

Het oudste gedeelte is de Clusiustuin; ontworpen door de plantkundige Carolus Clusius in 1590. Het is een vierkante tuin, verdeeld in vakken, traditioneel ingeplant met kruiden die in de oudheid gebruikt werden in de keuken of als geneeskruid.

Er is ook een grote varentuin, met veel soorten varens. Dit is de grootste collectie winterharde varens van Europa. Het was er prachtig groen, mede dankzij de regen van de laatste dagen.

De kassen sloeg ik deze keer over. Ze zijn zeker de moeite waard, maar ik was er een paar maanden geleden nog geweest toen er buiten nog niet veel te zien was. Langs de groentebedden en de veldjes met plantenfamilies liep ik terug.

Ik verliet de hortus aan de achterkant en wandelde over de Groenhazengracht en andere straatjes met geveltuintjes en via een bruggetje over het Galgenwater met woonschepen. Langs de Morspoort en door een klein park (Park de Put). Uiteindelijk via de tuin van het Volkenkundig Museum terug naar het station.

Website Hortus Leiden

Poëzie van de Japanse natuur, Kachō-ga

In Leiden staat het Sieboldhuis dat een speciale band met Japan heeft. Regelmatig zijn er mooie tentoonstellingen te zien van oude of moderne kunst uit Japan. Nu “Kachō-ga, de poëzie van de Japanse natuur”. Ik ging er onlangs heenDe Japanse cultuur heeft een bijzondere relatie met de natuur. Wanneer je kijkt naar de meeste Japanse steden zou je dat niet zeggen: brede straten, wolkenkrabbers, stenen en beton alom. Maar dan, als de kersenbloesem bloeit, trekt iedereen er op uit om dat te gaan zien.

Letterlijk betekent Kachō-ga “afbeelding van bloemen en vogels”. Dat is wat er hoofdzakelijk te zien is, maar je ziet ook andere dieren, zoals de karper, de tijger en schildpadden. Die tijger staat op een kamerscherm en ik moest mezelf bedwingen om niet aan de snorharen te voelen, zo levensecht leken ze! Voor het grootste deel zijn het prenten, die gedrukt zijn van houtblokken. Uniciteit was geen criterium, succesvolle prenten werden soms jaren achtereen steeds opnieuw gedrukt. In een museum in Tokyo fotografeerde ik bovenstaand voorbeeld van deze druktechniek.

De meeste prenten zijn in de lengte, ze werden opgerold bewaard en pas opgehangen als het bijpassende seizoen aanbrak. Dit is een horizontale, van Utaga Hiroshige; linksboven staat een haiku:

Op de groene berg
kijken ze naar het herfstblad-

de vogels zijn triest.

Op de oudste prenten staat vaak een gedicht, zoals een haiku of soms een andere versvorm. Later verdwijnt het gedicht en ligt het accent nog meer op de compositie. De voorstellingen zijn zeer gedetailleerd, zonder op botanische tekeningen te lijken. Ik heb foto’s gemaakt, maar ze halen het niet bij de originelen, daarvoor moet je echt zelf gaan kijken. Toch hierbij een paar om een indruk te krijgen.

  

Ohara Koson, Klein insect op bloeiende iris, ca. 1910 en reiger in de regen, 1928. Van Ohara Koson (1877-1945) had ik nog nooit gehoord. Zijn reigers en kraanvogels zijn bijna gestileerd, wat bij deze reiger nog versterkt wordt door het zwart-wit.

De Vogel en blauweregen ca. 1840 (rechts) is ook van Utagawa Hiroshige, (1797-1858), die je zou kunnen kennen van zijn tekeningen van bruggen in de regen. Vincent van Gogh was daar zo van onder de indruk dat hij een schilderij maakte gebaseerd op de “Brug in de regen”. Linksboven een haiku van Basho, die leefde van 1644 tot 1694 en nog steeds gelezen en gerespecteerd in Japan. Dit is een van de 1000 haiku’s die hij maakte tijdens een rondreis door Japan.

Moe geworden
is het tijd voor een herberg
Blauweregen in bloei.

Tot slot zijn er foto’s van hedendaagse kunstenaars die zich lieten inspireren door de traditie van Kachō-ga. Grappige foto’s van halsbandparkieten en deze foto’s van de kersenbloesem van Mizotami Yashinori die zijn gemaakt met een extra lange sluitertijd.

Al met al is het weer een mooie tentoonstelling. Nog te zien tot 3 maart a.s.

Voor meer info: hier de website van Japanmuseum Sieboldhuis

 

 

 

 

 

 

 

De harmonie van de Japanse tuin

De Japanse tuin op Clingendael

Tussen Wassenaar en Den Haag, op landgoed Clingendael, ligt een Japanse tuin. Deze tuin is meer dan 100 jaar geleden (rond 1910) aangelegd door de baronesse Van Brienen die toen eigenaar was van landgoed Clingendael. Zij maakte een aantal reizen naar Japan en zag daar de bijzondere tuinen. Van haar reizen bracht ze de lantaarns, beeldjes en bruggetjes voor de tuin mee.

Het was al weer een paar jaar geleden dat ik er was. Intussen heb ik in Japan veel verschillende Japanse tuinen gezien en ook veel geleerd over de verschillende typen tuinen en over de symboliek. (Zie hiervoor mijn blog over “Het geleende landschap”.)

Een Japanse tuin heeft een aantal vaste elementen

  • er is altijd water, water symboliseert leven;
  • er is een bruggetje in de kleur rood, rood staat voor vreugde en beschermt tegen boze geesten;
  • er is veel groen, door mossen, varens en bamboe;
  • er is tenminste één stenen lantaarn;
  • de tuin is geheel omheind;

Als het even kan is er een paviljoentje of theehuis en is er plaats gemaakt voor een boeddha.

Al deze elementen zie je terug in de Japanse tuin op Clingendael. Ik was benieuwd hoe ik de tuin nu zou ervaren, met de herinnering van zoveel Japanse tuinen in mijn achterhoofd. Of ik nog steeds diezelfde sfeer van harmonie, rust en schoonheid zou ervaren, die voor mij met deze tuin verbonden is.

Serene sfeer

Al het groen geeft de tuin die serene sfeer. Hier geen kleurrijke borders en vlammende kleuren. Kleine slingerende paadjes, met stapstenen en mos. Hier en daar een stenen lantaarn en een beetje verstopt tussen de struiken: een kleine boeddha.

De rode esdoorn  spiegelde in het water, de twee rode bruggetjes stonden strak in de lak. Een beetje jammer wel dat het mos minder goed te zien was door alle gevallen bladeren. Dat was in het voorjaar niet; toen leek het groener. Ook in het water dreven blaadjes.

Het was een mooie stille herfstdag, geen zon, maar zeker niet koud. Ik was vroeg gekomen, het was nog niet heel druk. Er liepen natuurlijk wel mensen rond en iedereen maakte foto’s, maar toch was de sfeer heel rustig. Bijna alsof de tuin zelf je tot stilte maant. Ik kon het niet laten om deze bezoekster in klederdracht op de rug te fotograferen; ze stond er zo aandachtig.

Ja, de harmonie van de tuin werkt nog steeds; ik kan iedereen aanraden om ook eens een Japanse tuin te ondergaan.

De Japanse tuin van Clingendael is dit jaar alleen nog dit weekend te bezoeken (t/m 28 oktober. Daarna pas weer in het voorjaar (april-mei) volgend jaar.

Lees hier meer informatie. over de tuin, daar staat t.z.t. ook wanneer de tuin weer open is in 2019.

Tot slot hier mijn eerdere blog op Moesblog  over een bezoek in het voorjaar.

 

 

 

 

 

 

 

Een prachtig moment

“Een prachtig moment”, zo heet de fototentoonstelling in Huis Marseille (Keizersgracht 401, Amsterdam). Te zien zijn foto’s en film van zeven Japanse fotografen van verschillende generaties met verschillende onderwerpen.

De Japanse blik, wabi sabi, 

Wat deze fotografen gemeenschappelijk hebben, volgens de toelichting, is de “Japanse blik”: aandacht en respect voor eenvoudige alledaagse dingen. De schoonheid van het verglijden van de tijd. “Wabi sabi” is de Japanse term hiervoor. Dat betekent zoveel als schoonheid van het verval, het onvolkomene. Ik kwam dit begrip eerder tegen bij een tentoonstelling van Japanse modeontwerpers, die wabi sabi toepasten in kleding met gaten en rafels.

Als eerste is de film “Island Tracing” te zien, eigenlijk steeds twee filmbeelden naast elkaar, van Chikako Watanabe. Beelden van de Noordoostpolder en Schokland gemixt met een Japans vissersdorp. Zij haalde Inspiratie uit foto’s over de Noordoostpolder van Cas Oorthuys. Soms gaan de beelden naadloos in elkaar over, soms kijk je naar twee totaal verschillende werelden. De film duurt bijna een half uur, maar blijft boeien.

En dan de foto’s. Er hangen grote foto’s van golven, ze zijn gemaakt door Syoin Kajii, een fotograaf die ook Boeddistisch monnik is. Ze deden mij denken aan de beroemde “grote golf van Kanagawa“, een houtsnede van Hokusai. Ik maakte een foto van een foto, wat eigenlijk helemaal niet kan.

Bijzonder zijn oude foto’s van collages, die gemaakt zijn door Toshiko Okanoue. Zij maakte collages die ze daarna fotografeerde. Voor de collages gebruikte ze oude kranten en tijdschriften uit de jaren 1950-’56 die achtergelaten waren door de geallieerden tijdens de bezetting van Japan.

Heel modern is dan weer de serie “Slow Glass” van Naoya Hatakeyama. Het zijn foto’s die gemaakt  op glasplaten met waterdruppels. Je ziet als het ware het landschap in één waterdruppel.

Huis Marseille

Ik was er nog nooit geweest; maar het Huis Marseille is een plaatje op zich. Het bestaat uit twee 17e eeuwse herenhuizen met trappen, kamers, opkamertjes, souterrains en een tuin met tuinhuis. In dat tuinhuis hingen 3 grote foto’s die Jacqueline Hassink maakte van tempeltuinen in Kyoto. De oorspronkelijk indeling is grotendeels nog intact, het interieur is natuurlijk aangepast. Maar er zijn nog kamers met oude elementen. De kleine stadstuin is leuk aangelegd met perkjes. Je kunt er zitten, maar er is geen koffie/thee te krijgen. Dat vond ik wel een gemis. Een medewerker wees mij op een automaat, maar die bleek buiten gebruik. Ik had graag even met een kopje koffie in de tuin willen zitten.

Hier meer informatie over Huis Marseille   De tentoonstelling is nog te zien t.m 2 september 2018.

Mount Fuji in Tilburg

Ik ben een gezegend mens. 

Sinds ik vorig jaar de berg Fuji zag, ben ik een gezegend mens. Fuji-san, zoals de Japanners hun heilige berg noemen, laat zich niet vaak zien. Heel vaak ligt de top gehuld in de wolken. Maar op de dag dat ik er was, lag hij te schitteren in de zon. Onze gids vertelde ons hoe bijzonder dit was en dat wij hierdoor gezegend waren. Pas door de reacties van Japanse bezoekers op de berg, besefte ik hoe bevoorrecht ik was. Zo gaat het wel vaker in je leven: een compliment, een ontmoeting, een gebeurtenis, pas achteraf besef je hoe waardevol dat was.

pas later begreep ik het voorrecht dat ik had om deze berg te zien.

Mount Fuji in museum De Pont.

Op dit moment is er in museum De Pont in Tilburg een film te zien van Fiona Tan over Mount Fuji en natuurlijk ben ik gaan kijken. Ik zag eerder een film van Fiona Tan over Japanse meisjes die een boogschietritueel uitvoeren. (Saint Sebastian, beetje rare titel). Het was een film met twee kanten. Aan de ene kant van het doek zag je de voorbereidingen: druk kletsende meisjes die zich opmaakten en elkaar hielpen met hun traditionele kimono. Aan de andere kant was hèt moment te zien: het afschieten van die ene perfecte pijl. Gespannen geconcentreerde gezichten, het aanleggen en afschieten van de pijl en dan die korte flits van vreugde en ontspanning. Ik kon er naar blijven kijken.

Maar nu is er “Ascent“, een film over Mount Fuji. Het is een film opgebouwd uit foto’s, afkomstig uit een fotomuseum bij de berg. Op alle foto’s staat de berg Fuji. Met een prachtige zonsopgang, met kersenbloesem, onder een sterrenhemel, weerspiegeld in een meer. Maar ook met de skyline van Tokio, met voorbijrazend verkeer, met poserende dames en marcherende soldaten. En met klimmers, heel veel klimmers. Beklimmen van de berg kan alleen van juli tot half september en in die periode wordt dat ook massaal gedaan. De film opent met een gesprek over het woord “leegte”; dat dit in het Japans nooit een negatieve betekenis heeft. De voice-over vertelt twee verhalen: van een vrouw die een vriend heeft verloren en van die vriend die de berg beklimt. “Op het moment dat je de top bereikt, besef je dat er niets is”.

De film duurt 77 minuten en toen hij afgelopen was kon ik me maar moeilijk losmaken van de sfeer. Er was nog heel veel meer te zien in het museum, maar ik was nergens meer voor in de stemming. Ik  had zoveel beelden op mijn netvlies en was zo gegrepen, niet eens zozeer door het verhaal, maar vooral door de manier waarop het verteld werd. Zonder drama, zonder effecten, zo puur de aaneenschakeling van beelden die zelf het verhaal vertellen van een berg, van een land, van een cultuur.

De film is ook een onderzoek naar hoe fotografie en film zich tot elkaar verhouden. Een groot aantal van de foto’s is (op ansichtkaartformaat) uitgestald. Ik kan alleen maar zeggen: gaan zien! Het kan nog tot 11 juni.

Museum De Pont

 

Het “geleende landschap” in de Japanse tuin

dscn1986-kopie

Japanse tuinen blijven me boeien door hun eenvoud en hun raffinement, de serene sfeer en soms oude bomen. Tijdens mijn reis naar Japan zag ik veel tuinen, bij tempels, in een park, bij paleizen. En dan ga je de verschillen zien.

Globaal zijn er een paar soorten tuinen: de wandeltuin, de binnentuin, de droge tuin – ook wel zentuin genoemd- en de theetuin, waarin altijd een theepaviljoen ligt, bedoeld voor de theeceremonie. Daarnaast zijn er natuurlijk in de loop der jaren mengvormen ontstaan. Een terugkerend begrip bij Japanse tuinen is het “geleende landschap”. De tuin moet aansluiten bij het omringende landschap, er zelfs een een soort miniatuuruitvoering van zijn. Dit zie je het beste in de landschapstuin, maar dit is dus niet hetzelfde als wat wij in het westen onder een “landschapstuin” verstaan. Alle typen tuinen (behalve de zentuin) kunnen landschapstuin zijn.

dscn1727-kopie

In elke Japanse tuin vind je naast planten en bomen een paar vaste elementen terug: een bamboeomheining, zand, rots, een ornament als een lantaarn of een bruggetje, water (als er geen water is worden steentjes neergelegd die het water symboliseren). In de roman: “de tuin van de avondnevel” van Tan Twan Eng kom je ongemerkt heel veel te weten over de uitgangspunten en de aanleg van een Japanse tuin. Ook heel goed te lezen voor niet-tuinmensen! Hieronder licht ik een paar tuinen uit die ik bezocht heb.

Tuinen bij tempels en heiligdommen

De oorsprong van de Japanse tuin gaat terug tot de vroege Shinto-tijd (6e tot ongeveer 8e eeuw) en de eerste tuinen lagen rondom de heiligdommen. Dit komt voort uit het geloof in de bezielde natuur: heilige bergen, bomen en rotsen. De berg Fuji wordt ook nu nog gezien als heilige berg. Toen later het boeddhisme voet aan de grond kreeg, kwamen er ook rondom de boeddhistische tempels tuinen. Zo’n tuin als bijvoorbeeld bij de Hase-dera tempel in Kamakura.  Hoogteverschillen, een pad met stapstenen omhoog, langs beelden en stenen lantaarns. Beneden een vijver met koikarpers. Door de tijd van het jaar en de vele mossen oogde de tuin erg groen, hoewel er nog wel wat bloeide.

dscn1705-kopie

De tuin bij Kinkaku-ji  (het Gouden paviljoen) in Kyoto. In de eerste tijd hadden mensen geen privétuinen. Dit veranderde vooral door de contacten met China. Deze tuin is aangelegd door een rijke shogun in ongeveer 1394, rondom zijn woonhuis/paviljoen. Pas na zijn dood werd dit paviljoen een boeddhistische tempel. Je komt de tuin binnen langs een laan met esdoorns en pijnbomen. Na een bocht sta je dan voor een grote vijver waarin de tempel zich ligt te spiegelen. Mijn indruk was dat deze tuin-met-vijver in feite was aangelegd om het paviljoen goed uit de verf te doen komen. Hier geen mossen en nauwelijks bloemen. Wel bomen en struiken langs een pad dat omhoog en omlaag steeds zicht bood op de tempel.

dscn1947-kopie

De wandeltuin: Kenroku-en in Kanazawa

Deze tuin wordt algemeen beschouwd als een van de mooiste van Japan. Hij is onderdeel van een veel grotere kasteeltuin en aangelegd tussen 1620 en 1840. De tuin is ruim, parkachtig opgezet, met een waterval, een theepaviljoen, bankjes, een vijver en stromend water met bruggetjes. De tuin was (in oktober) hoofdzakelijk groen: veel buxusbollen, struiken en bomen, ook fruitbomen met bijvoorbeeld mandarijntjes. Bij de vijver staan een paar heel oude pijnbomen, die elk najaar worden gestut met stokken zodat ze niet bezwijken onder zware sneeuwval (zie foto rechts).

dscn1891-kopie   dscn1881-kopie

De tuin bij de keizerlijke villa Tamozawa in Nikko

De keizerlijke villa werd omstreeks 1890 verplaatst van Tokoyo naar Nikko. Ik heb niet kunnen ontdekken hoe oud de omringende tuin is, maar je vindt er alle traditionele elementen. De tuin is veel kleiner en intiemer dan de Kenroku-en tuin en heeft heel veel mossen. Ook hier een water met bruggetje en een waterval. Even tevoren hadden we een wandeling gemaakt naar de waterval van Nikko. Grappig om dan te zien dat die in de tuin in miniatuurversie terugkomt. Een mooie illustratie van het “geleende landschap”! De villa heeft rondom veranda’s zodat je vanaf alle kanten steeds zicht op de tuin hebt. Slingerende paadjes nodigen uit om er doorheen te dwalen. De intieme sfeer en de vele kleine details maakten dit voor mij een van de beste tuinen.

dscn1771-kopie

Droge tuin of Zentuin

In 1191 wordt het Zenboeddhisme in Japan geïntroduceerd en komt de meditatietuin in gebruik. Vooral in Kyoto zijn veel zentempels. Zagen we tot dan toe alleen bont gekleurde tempels met rijkversierde beelden, een zentempel is een vrijwel lege ruimte met tatamimatten en schuifdeuren beplakt met transparant papier. Vanaf een veranda kun je de tuin zien, die bedoeld is om bij te mediteren, je kunt er niet doorheen lopen. Een van de beroemdste tuinen is die bij de Ryoan-ji tempel. Gelukkig was ik er vroeg in de morgen want hij wordt druk bezocht en dan is er van de meditatieve rust weinig te merken. Toen ik vertrok stonden de bussen met groepen voor de deur. Hier geen water, zoals te verwachten was in een droge tuin. Langs de veranda liggen mooi in patroon geharkte witte steentjes met hier en daar een rotsblok. De tuin gaat in elk geval terug tot 1480, sommigen menen dat hij ouder is. Na een brand in 1799 zijn de tempel en tuin herbouwd en sindsdien is de tuin niet veranderd.

dscn2004-kopie    dscn1994-2

Ook in Kyoto ligt het complex met zentempels en -tuinen op het terrein bij de Daiktoku-ji. Hier liggen 22 tempels bij elkaar, gescheiden door eenvoudige lage crèmekleurige muren. Ik zag o.a. de tuinen van de Daisen-in en de Obai-in tempels, allebei aangelegd in de 16e eeuw. Vooral deze laatste tuin was prachtig, intiem en ook nog eens heel rustig. Vanaf de binnenplaats leidt een slingerend paadje naar de tempel. In tegenstelling tot bij de Ryoan-ji kon ik hier dus wel een stukje door de tuin lopen tot ik aankwam bij de veranda. Daar kon ik gaan zitten om de tuin en de stilte op me in te laten werken. Een absoluut pure ervaring! In de Daisen-in kreeg ik een tekstje in het Engels mee, waarin uitleg gegeven wordt. Hiermee loop je langs de rivier (grind) van de jeugd om te eindigen in de grote oceaan van het leven (ook grind). In beide tuinen is fotograferen niet toegestaan. En dat zorgt er weer voor dat je de rust intenser beleeft.

het terrein van de daitoku- ji
het terrein van de Daitoku- ji

Vera van verawandelt.wordpress.com wees me er op dat in Hasselt (B) de grootste Japanse tuin van Europa ligt. Volgend voorjaar moet ik daar maar eens gaan kijken. Is toch dichterbij dan Japan.
Tot slot hierbij nog mijn blog van vorig jaar over de Japanse tuin op Clingendael.

Japanse contrasten

 

 

dscn1920

het Itsukushima heiligdom op het eiland Miyajima (in de baai van Hiroshima)

Afgelopen weken ging een langgekoesterde wens in vervulling: een reis naar Japan. Een land met serene tuinen, eeuwenoude tempels en groene berghellingen. Maar ook een land van wolkenkrabbers en supersnelle treinen. Precies dat is wat me zo boeit: het contrast tussen tradities en moderniteit. Het was een reis om nooit te vergeten. Inmiddels ben ik een week thuis en heb ik alle indrukken in mijn hoofd een beetje geordend.

“Big in Japan”, Tokyo

De start in Tokyo was hectisch: heel veel mensen, oneindige shoppingmalls, de drukte in de metro. Ja het klopt echt: op het perron staan Japanners keurig in de rij te wachten om in te stappen. Eenmaal binnen word je platgedrukt tussen de aktetassen en kan er altijd nog meer bij….. Wolkenkrabbers waartussen dan ineens een tempel staat waar mensen wierook komen branden en geluksbriefjes kopen. Overigens: als de boodschap op het briefje je niet bevalt, dan kun je er weer vanaf door het te (laten) verbranden.

dscn1657  dscn1660

 

Shinto en boeddhisme

Japan kent 2 grote religies: shinto, dat beschouwd wordt als echt Japans en het boeddhisme, ooit geïmporteerd uit India via China. Het boeddhisme heeft rijkversierde tempels, bij shinto spreek je van “shrines” – te vertalen als heiligdommen – die soberder zijn (een uitzondering zijn de vrijwel lege tempels van het zenboeddhisme). Overigens worden deze twee religies naast elkaar gebruikt: voor een huwelijk ga je naar de shintopriester, begrafenissen regel je in de boeddhistische tempel.

dscn1713-3    dscn1901

de grote bronzen boeddha van Kamakura en een shinto-heiligdom in Kanazawa

Verder het land in

Gelukkig voor mij, ik ben niet zo’n stadsmens, reisden we na een paar dagen verder het land in. We bezochten tempelcomplexen, sommigen met een mooie tuin, sommigen met heel veel beelden en vaak rijk versierd met houtsnijwerk. In Nikko liepen we naar een waterval en daarna naar een keizerlijke villa, waar mij vooral de tuin boeide. In Nara aaide ik de herten die daar rondlopen en nieuwsgierig hun snoet in je tas duwen “valt er iets te eten?” In Takayama zag ik iets van het gewone leven in zo’n bergstadje. Ik kocht er zakjes zaad van paarse broccoli en paarse bonen. Ik ben benieuwd wat er van komt, want de tekst op de pakjes is in het Japans……

dscn1862   dscn1734

De berg Fuji

Een reis naar Japan is niet compleet als je niet naar Mount Fuji bent geweest. Voor de Japanners een heilige berg. De berg hult zich meestal in de wolken. Maar wij hadden geluk: het was een stralende dag. De hellingen waren rood door de herfstkleuren en de top van de Fuji lag te schitteren in de zon.

dscn1793

De gruwel van Hiroshima

En dan Hiroshima. We wandelden langs een van de zeer weinige gebouwen die nog overeind bleven na de atoombom. In het museum zagen we de gevolgen van de bom en kon je op video verhalen horen van overlevenden. Een oude man kwam buigend op me af: “Thank you for coming. Please, enjoy Hiroshima.”  Ik wist echt niet wat ik moest zeggen, kon alleen maar zwijgend zijn hand drukken en mijn tranen wegslikken.

Hiroshima
Hiroshima

Kleurrijk Kyoto

Daarna per Shinkansen (supersnelle trein) naar Kyoto. Kyoto is niet gebombardeerd, daarom is er nog veel van het oude centrum te zien. Ook hier weer de mix van oud en nieuw: het station met 3 verdiepingen onder de grond en 10 bovengronds met daarbovenop een daktuin, vanwaar je een prachtig uitzicht had over de verlichte stad. Bij de toeristische plaatsen in de stad poseren vrouwen, meisjes en een enkele man in kimono. Voor een paar tientjes per uur kun je een kimono huren en je helemaal laten aankleden. Het is dus niet “echt”, het zijn vaak toeristen uit omringende landen, maar het levert wel mooie plaatjes op. Japanners dragen de kimono nog wel bij feestelijke of officiële gelegenheden. Een huwelijk bijvoorbeeld of bij het feest 3-5-7, als ze met hun kinderen een bezoek aan de shintopriester brengen ter gelegenheid van hun 3e, 5e of 7e verjaardag. (zie foto). Kyoto is ook de stad van het zenboeddhisme, een grote tegenstelling met de uitbundig versierde en gekleurde tempels die we eerder zagen. Ik ben er speciaal op zoek gegaan naar de zentuinen met hun mooie grindpatronen. Aan de Japanse tuinen wil ik een volgende keer een apart blog wijden.

dscn1741   dscn2004-kopie

En dan dit nog…..

Nu heb ik het nog niet gehad over de onvermijdelijke groene thee, de vele winkels met zoetigheid, het ene nog mooier verpakt dan het andere, de bentobox met sushi, de okonomiyaki , die genoemd zijn naar de groentepannekoek,  waar je eten voor je neus op de plaat gebakken wordt. En o ja, de chrysanten die je overal ziet, de fruitbomen met kaki of mandarijntjes, de kleine rijstveldjes. Maar het is wel mooi geweest zo. Je kunt het toch het beste zelf beleven.

 

dscn1872 dscn1794 dscn1696 dscn1941

 

Leesvoer

Om in Japanse sferen te blijven stopte ik een paar boeken van Japanse auteurs in  de koffer. Het is tenslotte zo’n elf uur vliegen.

“Sneeuwland”, van Yasunari Kawabata. (Nobelprijs voor literatuur in 1968). Over het leven van een geisha in opleiding in een bergdorp.

“Kangoeroecorrespondentie”een verhalenbundel van Haruki Murakami. Verhalen uit Tokyo.

“Ik ben een kat”, van Soseki Natsume. Het leven van een eenvoudige leraar gezien door de ogen van zijn kat.

Een website waar je alles over Japan kunt opzoeken wat je maar wil weten: Uchiyama.nl