Zullen we een bos beginnen?

Zullen we een bos beginnen?

Graaf een kuil
en plant je boom
voorzichtig
naast de mijne.

Kunnen ze elkaar
uit de wind houden
als het stormt

of in de zondagzon
samen zwijgen.

En als ze ’s avonds
door de wimpers
van hun twijgen
naar elkaar kijken
beginnen ze al
op een bos te lijken.

Jaap Robben

Uit “Zullen we een bos beginnen?”(2008, herdruk 2019.)

Nog een keer Toon Tellegen

Vorige week plaatste ik een gedicht van Toon Tellegen. Ik kreeg daar leuke reacties op. Daarom nog een gedicht van hem. Voor de liefhebbers.

 

Twee mensen

Ze hadden elkaar beloofd geen heimwee te hebben,
geen spijt,

niets te missen en elkaar nooit ongelukkig te maken,
nooit
en dus lieten ze zich niet kennen,
beten elke dag op hun pennen
en schreven elkaar hoe gelukkig ze waren,
al was het alleen al door de brieven van elkaar
schreven ze,
waarin ze lazen hoe gelukkig ze waren.
Zo dwarrelen bladeren
soms heel hartstochtelijk
naar de grond. 

 

 

Uit: “Alleen liefde”, 2002

 

Suzanne kwam een gedicht van Toon Tellegen tegen als muurgedicht.

 

 

Poëzieweek 2020: Toon Tellegen

Het is weer poëzieweek. Voor dit jaar koos ik een gedicht van Toon Tellegen.

Toon Tellegen kun je gerust een “veelschrijver” noemen. Hij is vooral bekend van zijn dierenverhalen. Korte verhalen, eigenlijk zijn fabels in de geest van Jean de la Fontaine, over de krekel, de eekhoorn en de mier. Mijn favoriet is de olifant die in bomen klimt. En er ook elke keer weer uitvalt. Maar hij blijft klimmen, want hij wil de verte kunnen zien, misschien zelfs de zee …..

Behalve dierenverhalen schrijft Toon Tellegen ook gedichten. Het zijn over het algemeen heel toegankelijke gedichten. Een vorm die hij vaak toepast is de “verpersoonlijking”. Zo is er een gedicht waarin iemand zijn verdriet omvat, het optilt en met grote  inspanning buiten de deur zet. Zo’n stijlfiguren past hij vaak toe.

Dit is een ander gedicht, het is uit 2004.

Ze hoorde mij niet

Anna Karenina op weg naar het station….
Ga terug! Sla een zijstraat in!
….tussen de mensen op een perron…..
Hoor je me niet! Ga terug!
…..de remmen, de stemmen…
Ga terug!

Het boek glijdt uit haar hand.
Riep ik te zacht?

Maar er is toch genade?
Er is toch meer dan ons lot?

Ze raapt het boek weer op en sluit haar ogen,
buigt zich voorover
en verdwijnt in het papier.

Ze hoorde mij niet.

Toon Tellegen, uit “Minuscule oorlogen, niet met het blote oog zichtbaar.”

Hier de bijdrage van Jannie aan de poëzieweek.

Daglicht, Judith Herzberg

Ik zocht naar een gedicht over de herfst. Maar alles wat ik vond ging over regen, doodgaan en verval. Toen dacht ik aan dit gedicht van Judith Herzberg. Ik noem het “Scarlatti”, maar in werkelijkheid heet het “Daglicht”. Het doet mij denken aan de zomer, misschien door de lichtheid. Toch gaat het niet speciaal over de zomer. Apart, hoe associaties werken. Ik denk aan een zondagmorgen, ontbijt met mooie muziek op de achtergrond, het gordijn zachtjes bewegend voor het open raam. Ach, waarom zou je in november niet aan de zomer denken?

 

Daglicht

Uit chaos van lakens en 
voorgevoel opgestaan, gordijnen
open, de radio aan, was
plotseling Scarlatti
heel helder te verstaan:
Nu alles is zoals het is geworden,
nu alles is zoals het is
komt het, hoewel, misschien
hoewel, tenslotte nog in orde. 

Judith Herzberg,

uit de bundel “Zeepost “, 1964

Zomernacht

Een gedicht voor de langste dag en de kortste nacht.

Zomernacht

Doe eens even die gedachten dicht van je.
Denk nu eens beter niet na over morgen.
Kijk niet steeds weer die bosrand van gisteren
na, bramenplukker die je bent zoals vroeger
maar nu. Maak even geen onderscheid tussen
een wie en hoezo en de kans op anders.

Doe in je hoofd uit de lamp, hoor wat er is,
ademt en ritselt, kwaakt in de kikkers.
Leef met je lichaam van nachtwind de koelte.
Geeuw je een gat in het hart en proef het
zo rood als sap van bramen. Wees langzaam
door vogels gezongen het wordende licht.

C.O. Jellema (1936-2003)

Sonnige voorjaar, Elisabeth Eybers

Sonnige voorjaar

Kristallesprinkeling uit prilgroen loof:
die merels is dit wat blymoedig betoog
teen later gure noodsaak om te swyg.

’n Keel vol klinkklare weerbaarheid
waarborg’n kosbare porsie tyd,
’n afgeronde brok respyt.

Statute van voortplantingspligte vuur
hulle aan om uitvoerig uur vir uur
die winter na sy moer te stuur:
die winter wat sal wyk

die winter wat sal duur….

 

Elisabeth Eybers, uit “Respyt” (1993)

Afgelopen najaar ontdekte ik de gedichten van Elisabeth Eybers, aan de hand van haar gedicht “Uitsig op die kade“.

Dit gedicht van haar past echt bij het vroege voorjaar: het prille groen, het kristallen geluid van de zingende merels. Ik heb nog niet veel merels gehoord, maar ik zie ze wel rondscharrelen in de tuin. De winter wijkt, maar dan toch weer een gure dag, waarop het lijkt alsof de winter blijft.

“In ons leven tallozen” Fernando Pessoa

In ons leven tallozen

In dit bundeltje staan gedichten van Alberto Caeiro, Ricardo Reis, Alvaro de Campos en Fernando Pessoa. O, een verzamelbundel denk je nu misschien. Nee dus, het zijn een paar pseudoniemen/alterego’s/heteroniemen/ hoe wil je het noemen van Fernando Pessoa. Hij had er nog veel meer, voor proza had hij weer andere.  Waarschijnlijk begonnen als een spel met pseudoniemen, werd het steeds serieuzer met die alterego’s. Ze kregen een eigen biografie, ze gingen steeds meer een eigen leven leiden. Dat intrigeert mij. Had hij niet genoeg aan één stem? Was het alleen spel of is er sprake van een meervoudige persoonlijkheid? Hoe werkt dat in iemands hoofd, zoveel verschillende persoonlijkheden? Maar ik ben geen psychiater dus ik houd het bij de poëzie. Het bijzondere is dat al die verschillende alterego’s ook een verschillende stijl hebben.  “In ons leven tallozen” is een gedicht van Ricardo Reis. Het laat iets zien van hoe het moet zijn geweest.

In ons leven tallozen

In ons leven tallozen;
Ik weet niet als ik denk
Of voel, wie denkt of voelt.
Ik ben de plaats slechts waar
Gevoeld wordt of gedacht.

Ik heb meer dan één ziel,
Meer ikken dan ikzelf.
En niettemin besta ik,
Voor allen onverschillig.
Ik maak hen stil: ik spreek.

De kruisgewijze impulsen
Van wat ik voel of niet voel,
Twisten in wie ik ben.
Ik ken ze niet. Zij zwijgen
Tot wie ik mij ken: ik schrijf.

(Ricardo Reis 1935)

Fernando Pessoa (1888-1935)

Ferando Pessoa werd geboren in Lissabon en heeft daar vrijwel zijn hele leven geleefd. In 1896 verhuisde hij met zijn moeder naar Zuid Afrika, maar in 1905 keerde hij terug in Lissabon om te studeren. Hij was toen 17 jaar. Van dat studeren is niet veel gekomen: al in 1907 begon hij een kleine drukkerij en daarna werkte hij als vertaler. Hij schreef als een bezetene, maar er verscheen vrijwel niets van hem in druk behalve en paar werkjes in eigen beheer. Hij rookte en dronk tegen de klippen op en overleed aan levercirrose.

Na zijn dood vond men een kist met duizenden blaadjes met gedichten. Nu geldt hij als een van de belangrijkste Portugese dichters. In Lissabon kunnen ze je nog steeds het café laten zien waar hij werkte en dronk. Zijn beeld zit er nu op het terras van “Café A Brasileira”.

Als Alvaro de Campos schreef hij paginalange gedichten o.a. Triomf Ode, een ode aan de industrie, fabrieken en techniek. Onder zijn eigen naam schreef hij niet alleen in het Portugees, maar ook een reeks sonnetten in het Engels. “In hoeveel maskers achter maskers gaat onze ziel gehuld.”  Tot slot nog één gedicht, van Alberto Caeiro:

Ik geef niet om rijm

Ik geef niet om rijm. Zelden
Ziet men twee gelijke bomen naast elkaar.
Ik denk en schrijf zoals de bloemen kleur hebben.
Maar minder volmaakt in mijn uitdrukkingswijze
Want mij ontbreekt de goddelijke eenvoud
Van alleen mijn buitenkant te zijn.

Ik kijk en ben bewogen
Bewegen zoals water stroomt wanneer de bodem helt
En mijn poëzie is zo natuurlijk als wanneer een wind

gaat waaien.

Fernando Pessoa, “In ons leven tallozen”, een keuze uit de mooiste gedichten,
vertaling August Willemsen.

 

 

 

 

 

Poëzieweek 2019: “Vrijheid”, Fernando Pessoa

Deze maand “leef” ik met de gedichten van de Portugese dichter Fernando Pessoa.  Af en toe doe ik dat: een bundeltje gedichten waar ik steeds op teruggrijp om een of meer gedichten te lezen. Een paar jaar geleden was het Emily Dickinson, later Yeats. Nu ligt het boekje “In ons leven tallozen” op tafel, een selectie gedichten vertaald door August Willemsen.

A.s donderdag, 31 januari begint de poëzieweek, die duurt tot/m 6 februari. Eigenlijk gaat die week over Nederlandstalige poëzie. Er zijn allerlei activiteiten waarbij dichters uit eigen werk komen lezen. Tom Lanoy schreef het poëziegeschenk dat dit jaar het thema “Vrijheid” heeft. Maar ja, ik lees nu Pessoa, en daarom een gedicht van hem met de titel “Vrijheid”.

Hoe heerlijk, ach hoe licht
Is het verzaken van een plicht,

Het boek dat voor ons ligt
Blijft ongelezen, dicht!
Lezen vergt geduld.
Studeren stelt niets voor.
De zon verguldt
Zonder één moeilijk woord.

De rivieren stromen voort, uiteindelijk,
Zonder eerste druk.
En de briest die blaast,
Zo vanzelfsprekend ochtendlijk,
Heeft, daar ze tijd heeft, geen haast…

Boeken zijn vellen papier met inkt bedrukt.
Studeren is iets dat onduidelijk verduidelijkt
Het verschil tussen niemand en niets.

Hoeveel beter is het, wanneer het mist,
Te wachten op Dom Sebastião,
Of hij nu komt of niet!

Groots is poëzie, goedheid, schone kunsten….
Maar kinderen zijn ’s werelds schoonste gunsten,
En bloemen, muziek, maanlicht en de zon die op z’n hoogst
Teleurstelt als hij niet doet groeien maar verdroogt.

En al het overige is dus
Jezus Christus,
Die geen verstand van financiën had,
Noch naar verluidt, een bibliotheek bezat….

(1935)

Fernando Pessoa is wel een aparte blog waard, dat komt later deze week. Nu alleen dit gedicht, vol zelfrelativering. Van een dichter die overigens zelf geen kinderen had, zijn studie niet afmaakte en wel duizenden “vellen papier” naliet.

Lees hier alles over de Poëzieweek 2019

 

 

 

 

 

 

Poëzie van de Japanse natuur, Kachō-ga

In Leiden staat het Sieboldhuis dat een speciale band met Japan heeft. Regelmatig zijn er mooie tentoonstellingen te zien van oude of moderne kunst uit Japan. Nu “Kachō-ga, de poëzie van de Japanse natuur”. Ik ging er onlangs heenDe Japanse cultuur heeft een bijzondere relatie met de natuur. Wanneer je kijkt naar de meeste Japanse steden zou je dat niet zeggen: brede straten, wolkenkrabbers, stenen en beton alom. Maar dan, als de kersenbloesem bloeit, trekt iedereen er op uit om dat te gaan zien.

Letterlijk betekent Kachō-ga “afbeelding van bloemen en vogels”. Dat is wat er hoofdzakelijk te zien is, maar je ziet ook andere dieren, zoals de karper, de tijger en schildpadden. Die tijger staat op een kamerscherm en ik moest mezelf bedwingen om niet aan de snorharen te voelen, zo levensecht leken ze! Voor het grootste deel zijn het prenten, die gedrukt zijn van houtblokken. Uniciteit was geen criterium, succesvolle prenten werden soms jaren achtereen steeds opnieuw gedrukt. In een museum in Tokyo fotografeerde ik bovenstaand voorbeeld van deze druktechniek.

De meeste prenten zijn in de lengte, ze werden opgerold bewaard en pas opgehangen als het bijpassende seizoen aanbrak. Dit is een horizontale, van Utaga Hiroshige; linksboven staat een haiku:

Op de groene berg
kijken ze naar het herfstblad-

de vogels zijn triest.

Op de oudste prenten staat vaak een gedicht, zoals een haiku of soms een andere versvorm. Later verdwijnt het gedicht en ligt het accent nog meer op de compositie. De voorstellingen zijn zeer gedetailleerd, zonder op botanische tekeningen te lijken. Ik heb foto’s gemaakt, maar ze halen het niet bij de originelen, daarvoor moet je echt zelf gaan kijken. Toch hierbij een paar om een indruk te krijgen.

  

Ohara Koson, Klein insect op bloeiende iris, ca. 1910 en reiger in de regen, 1928. Van Ohara Koson (1877-1945) had ik nog nooit gehoord. Zijn reigers en kraanvogels zijn bijna gestileerd, wat bij deze reiger nog versterkt wordt door het zwart-wit.

De Vogel en blauweregen ca. 1840 (rechts) is ook van Utagawa Hiroshige, (1797-1858), die je zou kunnen kennen van zijn tekeningen van bruggen in de regen. Vincent van Gogh was daar zo van onder de indruk dat hij een schilderij maakte gebaseerd op de “Brug in de regen”. Linksboven een haiku van Basho, die leefde van 1644 tot 1694 en nog steeds gelezen en gerespecteerd in Japan. Dit is een van de 1000 haiku’s die hij maakte tijdens een rondreis door Japan.

Moe geworden
is het tijd voor een herberg
Blauweregen in bloei.

Tot slot zijn er foto’s van hedendaagse kunstenaars die zich lieten inspireren door de traditie van Kachō-ga. Grappige foto’s van halsbandparkieten en deze foto’s van de kersenbloesem van Mizotami Yashinori die zijn gemaakt met een extra lange sluitertijd.

Al met al is het weer een mooie tentoonstelling. Nog te zien tot 3 maart a.s.

Voor meer info: hier de website van Japanmuseum Sieboldhuis

 

 

 

 

 

 

 

Het gaat altijd over liefde. Het gaat altijd over licht.

Geen “terug- en vooruitkijkblog” van mij dit jaar. In plaats daarvan het kerstgedicht dat Claudia de Breij schreef voor “Trouw”. en dat vandaag op de voorpagina van de krant staat. Hiermee wens ik jullie allemaal fijne dagen en een ….

Liefde

In mijn kamer staat een blauwspar stilletjes te sterven
dankzij een paar Germanen met een oeroud ritueel
dat zo goed aansloeg dat de kerk de pret niet wou bederven
en de zonnewende niet verbood, maar meenam in ’t geheel.

In mijn kamer zingt een zanger over een White Christmas.
In Rusland stond de wieg van dit Amerikaans refrein
want Israel Beilin kwam uit Siberië en wist dus
hoe koud de winters van een joodse jongen kunnen zijn.

Hij vertrok vol hoop met een boot naar een beter leven
en als Amerikaan heeft die Irving Berlin verwoord
wat ieder mens bij de gourmet met tantes, vaders, neven
naast All I want for Christmas toch het liefste hoort.

In mijn kamer staat een stal met een plastic kindje
Hij straalt en ik aanbid hem met zijn lachende gezicht
omdat hij mij laat zien: het maakt niet uit. Al vind je
dit alles onzin-

Het gaat altijd over liefde. Het gaat altijd over licht.