Slot Zuylen en het land van Belle

Afgelopen maandag was de Dag van het Kasteel. Je kunt dan kastelen en buitenplaatsen bezoeken, ook die anders niet te bezoeken zijn. Ik ging die dag iets anders doen, maar grijp toch deze aanleiding om het even over Slot Zuylen te hebben. Slot Zuylen ligt aan de Vecht in het plaatsje Oud Zuilen, net buiten Utrecht. Door de uitbreiding van de stad ligt het nu eigenlijk tegen Utrecht aan. Als ik in de lunchpauze ga wandelen, kom ik er regelmatig langs. En natuurlijk ben ik er ook wel eens binnen geweest.

Belle van Zuylen

Het slot heeft een lange geschiedenis: in 1250 wordt het al genoemd. In de loop der eeuwen is er flink verbouwd. Van 1665 tot 1950 was het eigendom van de familie Van Tuyl van Serooskerken. Daarna werd het ondergebracht in een stichting. De beroemdste bewoonster is ongetwijfeld Belle van Zuylen (1740-1805), die eigenlijk Isabella van Tuyl van Serooskerken heette, maar haar brieven ondertekende met Belle van Zuylen. Je kunt Belle van Zuylen gerust een “vrije geest” noemen, dat blijkt vooral uit haar brieven. “Ik heb geen talent voor ondergeschiktheid“, schreef ze eens. Ze correspondeerde met vele beroemdheden, altijd in het Frans. Ze was goed op de hoogte van politieke en filosofische stromingen uit haar tijd. Na haar huwelijk verhuisde ze naar Zwitserland en werd ze Madame de Charrière, onder die naam schreef ze romans en toneelstukken.

Rondom slot Zuylen is een bosgebiedje, waar je al wandelend regelmatig bordjes met teksten over haar tegenkomt.

De tuin

Niet alleen het slot, ook de tuin is door de eeuwen heen aangepast en veranderd. Vlak voor het huis is een formele tuin met strakke vakken, haagjes en tuinbeelden. Verderop is er een moestuin, een pluktuin, een rozentuin. Daar is de beplanting veel losser. Een hovenier en een aantal vrijwilligers zorgen voor het onderhoud. Op het terrein is een slotboerderij en een kapel. Het slot zelf is alleen te bezoeken met een rondleiding. Voor de tuin kun je een ook rondleiding reserveren, maar dat hoeft niet.

De slangenmuur

Langs een zijde van de tuin is een 120 meter lange slangenmuur, gebouwd in 1742. Dit is een van de langste en best bewaarde slangenmuren in Nederland. Een slangenmuur is een golvende muur, bedoeld voor het kweken van leifruit. De rondingen in de muur zorgen voor extra beschutting en houden de warmte  vast. Dat maakt hem zeer geschikt voor het telen van zacht fruit als abrikozen en perziken.

Producten uit de moestuin kun je vinden in het museumcafé. Maar vlakbij langs de Vecht is ook een bistro, waar je prima kunt eten. Die heet, hoe verzin je het: “Belle”. Als je er toch bent, dan is Oud Zuilen een leuk plaatsje om even rond te kijken. Of combineer met een wandeling langs de Vecht waarbij je veel mooie buitenplaatsen tegenkomt.

Meer informatie: website Zuylen

Advertenties

Moestuinkrabbels (4)

Het gaat maar door in de tuin. Zeker na een flinke regenbui zie ik het groeien waar ik bij sta.

De koolplantjes (koolrabi en paksoi) zijn de slakkenvraat te boven gekomen. Vooral de paksoi staat er geweldig bij. Kijk maar eens, zo doen ze toch niet onder voor een flinke hosta?! Nu moet ik ze allemaal nog opeten. Ik had eerder wel eens paksoi, maar toen werd het niet zo groot. Ik ben nu dringend op zoek naar recepten met paksoi!

De aardbeien hebben groene vruchtjes, de peultjes staan te bloeien en de Japanse wijnbes. Alleen de boontjes die ik 3 weken geleden heb gelegd, laten het nog een beetje afweten. Van de pronkbonen staan er een paar boven de grond, maar van de gewone boontjes zie ik slechts een paar kleine puntjes. Ik kijk het nog heel even aan, anders nog maar eens opnieuw doen. Boontjes zijn altijd lastig in mijn tuin.

Wat is het toch een luxe dat ik zomaar even naar buiten kan lopen voor een handje munt om thee van te zetten. Of wat sprietjes bieslook in een omelet. Of zelf pesto maken van bijvoorbeeld rucola.

Pesto kun je van heel veel kruiden maken. Het basisrecept is natuurlijk basilicum, pijnboompitten en Parmezaanse kaas. Maar in plaats van basilicum nam ik ook wel eens Oostindische kers of marjolein of rucola dus. Net waar ik veel van heb. Bij de rucola deed ik amandelschaafsel en zachte geitenkaas, omdat de rucola nogal pittig is.

Er zijn natuurlijk ook altijd weer verrassingen. De Chinese kool die ik vorig jaar in augustus nog had gezaaid en waar ik toen niets aan had, want slakken en daarna heel snel in bloei, die bleek zich te hebben uitgezaaid in de strook waar ik Surinaamse spinazie heb bedacht. Ineens stonden er een paar planten. Eentje heb ik meteen maar opgegeten en twee andere verplaatst. Ik ben benieuwd of dat nog wat wordt, want Chinese kool in het voorjaar gaat erg snel “schieten” (bloeien en zaad vormen). In diezelfde strook staan ook heel veel klaprozen en viooltjes. De klaprozen laat ik lekker staan, de viooltjes haal ik er uit om bij elkaar in een bak te zetten.

Zo blijf ik lekker bezig. Wordt vervolgd dus…

Leven in de tuin

Leven in de tuin” door Penelope Lively,

een bekende Engelse schrijfster, van wie ik nog nooit iets gelezen had. Ze kreeg de Booker Prize in 1987 voor haar roman “Moon tiger“, en is nu 86 jaar. Behalve romans schreef ze ook een boek over landschapstuinen. In 2017 verscheen dit boekje “Life in the garden“. Er stond een lovende recensie in de VPRO-gids, maar verder heb ik er niet veel over gelezen. Toen ik het onlangs tegenkwam was ik toch wel benieuwd.

Het is zo very British en toch ook weer erg herkenbaar. “Ik ga nu op de xenofobische toer: wij Engelsen tuinieren nogal goed. Ik ben geneigd te beweren dat niemand beter tuiniert dan wij. (…) Wat verschijnt er voor je geestesoog als je aan een Engelse tuin denkt? ” Dit schrijft ze in een van de laatste hoofdstukken. Dan volgt de opsomming: gras, paden en water “We zijn dol op vijvers in alle soorten en maten”. En dat klopt, elke Engelse tuin lijkt wel een “water feature” te moeten hebben. Alsof er niet al genoeg water valt in Engeland. En rozen, in elke tuin moeten rozen; Engelsen hebben een haat-liefde verhouding tot rozen.

Maar voor we bij deze passage zijn, zijn al vele invalshoeken gepasseerd. Het boek leest als een tuinwandeling en meandert langs de geschiedenis van tuinieren met hier en daar een zijpaadje. Elk hoofdstuk geeft een ander zichtpunt.

De geschreven tuin

Van een tuinierende Virginia Woolf, Edith Warton naar Daphne du Maurier en via Jeroen Bosch naar Monet en Matisse. Volgens haar is Monet anders gaan schilderen nadat hij zelf een tuin in Giverny had aangelegd. De waterlelieschilderijen zijn ontstaan, omdat hij anders keek. En passant strooit ze met namen: Gertrude Jekyll, Beth Chatto, Vita Sackville-West, Elizabeth von Arnhim. (Achterin staat een flinke literatuurlijst). Ook een beetje plantenkennis kan geen kwaad, want er staan geen foto’s in het boek, wel tekeningen maar zonder namen.

“Klimop is heel populair bij romanschrijvers; zodra er klimop in het verhaal binnendringt, weet je dat er iets onheilspellends achter kan steken.” En ja, als een boek zo begint: “Klimop  had zich vastgehecht en vastgezogen aan de stoep en golfde er met zo’n bedrieglijke onstuimigheid overheen dat het wel een waterval leek.” (…) Het toppunt van alles was dat de klimop nu vruchten droeg, vol hing met trossen vlezige bleekgroene bessen.” Dan verwacht je als lezer niet veel goeds. (Het huis met de klimop, van Elizabeth Bowen).

Stijl en tuin

Het hoofdstuk “Stijl en tuin” gaat in op het verband tussen stijl van tuinieren en sociale klasse. Over de kwekerij en het ordinaire tuincentrum. Wat natuurlijk niet alleen een Engels verschijnsel is, maar daar wel lijkt uitgevonden. Ook hier zijn er zeer subtiele verschillen voelbaar tussen “tuindames” en “tuinfanaten”.

Heel terecht wijst Penelope er ook op dat er groot verschil is tussen mensen die personeel hebben voor de tuin en zelf hoogstens wat uitgebloeide rozen afknippen en voor hen die dat niet hebben.

Tijd, orde en tuin

Tuinieren doe je altijd voor de toekomst. je plant nu bollen voor het volgende voorjaar. Tuinieren is ook orde aanbrengen, het manipuleren van de natuur. De tijd kan een tuin ook uitwissen. “Tuinierend ontsnap je aan de boeien van de tijd, je ervaart het samenvallen van heden, verleden en toekomst.” Tuinieren is altijd hoopgevend. Het zit nu misschien tegen maar wat ik nu zaai, plant zal het straks beter doen.

De modieuze tuin

In het hoofdstuk “De modieuze tuin” loodst ze ons door de verschillende opvattingen over tuinen. In de tijd van Jane Austen was “pittoresk” het ideaal. Nu  zou niemand dat meer nastreven. Maar ook nu zijn er voorbeelden.“Je aanpak zal worden beïnvloed door gezaghebbende figuren of door wat er deze week in Gardeners World aan bod kwam.”  Toch zegt ze ook: “Dus na dit hoofdstuk de titel “de modieuze” tuin te hebben gegeven, krabbel ik nu een beetje terug: tuiniers zijn opportunisten denk ik, geen slaven die willoos de mode volgen.” 

 

Overigens is ze tamelijk kritisch over tuinenshows als de Chelsea flowershow. Die was net vorige week weer, de BBC besteedde er elke dag zo’n 1,5 uur tv aan. De ene tuin nog geweldiger dan de andere en allemaal hebben ze een thema met een “water feature”, een bankje, een paadje en smetteloze beplanting. Er was een “Welcome to Yorkshire” garden waarin een stukje Yorkshire was nagemaakt. Is dat nog een tuin? Voor mij niet, maar hij kreeg de People’s Choice Award. Dus de meeste bezoekers vonden van wel.

Het leukste vind ik haar als ze haar eigen mening geeft. Zo schrijft ze n.a.v. de Hollandse tulpengekte in de gouden eeuw: “Tegenwoordig lijkt de tulp als verzamelaarsobject van zijn plaats gestoten door het sneeuwklokje. Op de sneeuwklokjeslijst van mijn favoriete bloembollenleverancier staan allerlei bolletjes van 22 euro per stuk en de “Tryzm” of de “Phantom” kost zelfs 90 euro. (….) ze zijn bijna hetzelfde al snap ik wel dat er subtiele verschillen zijn.” Maar dat is nog goedkoop in vergelijking met de € 800  voor de Galanthus woronowii “Elizabeth Harrison”  in 2012 of € 1560 voor Galanthus plicatus “Golden fleece” in 2015.

Stad en platteland

In het laatste en kortste hoofdstuk noemt ze nog even moestuinen en volkstuinen. In de eerste wereldoorlog een belangrijke bron voor de voedsel. In 1922 werd een “Allotment Act” aangenomen die volkstuineigenaren beschermt tegen oprukken projectontwikkelaars en bouwplannen van gemeentes.

Tot slot eindigt ze met :“Ik ben als tuinier een echte amateur en vond het wel brutaal van mezelf om een boek over tuinieren te schrijven. Maar ik heb niet zozeer over tuinieren geschreven als wel over het effect dat tuinen en tuinieren hebben: hun charisma.” En: “een deel van jou leeft nu in tuintijd: je denkt vooruit, je denkt terug, je zit niet eeuwig vast in het hier en nu”. 

Leuk boekje om te lezen op een bankje in de tuin.

 

 

 

Je stapt gewoon je deur uit

Wandelen langs de Eem

Een tijdje geleden was er een reclame van een buitensportwinkel (Niemand is een binnenmens): “Buiten is nooit ver weg. Je stapt gewoon je deur uit, dan ben je er al.” Soms is het gewoon fijn om je wandelschoenen aan te trekken en de deur uit te stappen om meteen te beginnen. En in Amersfoort kun je alle kanten uit. Twee weken geleden liep ik de deur uit en wandelde een stukje langs de Eem.

De Eem loopt door de binnenstad en komt uit in het Eemmeer, een van de randmeren van het IJsselmeer. De noordkant van Amersfoort ligt lager dan de zuidkant. De Amersfoortse berg ligt op het zand, de noordkant op het veen. Dat hoor je ook aan de buurgemeenten Hooglanderveen, Holkerveen, Nijkerkerveen. Vroeger was dit een moerasachtig gebied. Bij nieuwbouwwijken is daarom overal voorzien in vijvers en sloten. Al snel kom ik bij de Hooglandsedijk waar je nog zo’n moerasgebied kunt zien. Het is een mini-natuurgebiedje met vlonders, waterplanten en vlinderplanten. Rechts kijk je in achtertuinen, er grazen zelfs paardjes. Maar de flats zijn nooit ver weg.

Het vlonderpad eindigt bij het Valleikanaal. Dan moet je een stukje langs de weg tot voorbij de jachthaven. De bermen langs deze weg zijn ingezaaid met wilde bloemen, ik zie wilde margrieten, zuring, wilde peen en de paarse morgenster. Die laatste is niet echt inheems, ook in mijn oude flora komt hij niet voor. Hij zal dus in een wildebloemenmengsel gezeten hebben. Ik zag hem eens in Griekenland in het wild. Sommige mensen zijn er tegen om planten die niet streekeigen zijn uit te zaaien. Ik vind dat niet zo erg. Je loopt natuurlijk het risico dat de niet inheemse plant een woekeraar blijkt te zijn. Maar dat is geloof ik met deze niet het geval. De gele morgenster is overigens wel gewoon inheems.

De Eemdijk

Even voorbij de jachthaven kun je linksaf het fietspad op naar de Eemdijk. Rechts is De Schans, ooit onderdeel van de Grebbelinie. Nu is het privéterrein. In het weiland lopen een paar ezels. Verder staan er heel veel bomen. Aan de overkant van de Eem is een industrieterrein. Op de Eem wordt druk geroeid en ik passeer het clubhuis van roeivereniging Hemus.

Na de Schans kom je langs de achterkant van het ziekenhuis; er is geprobeerd om de tuin enigszins “wild” te houden. Maar ik vind het niet echt geslaagd. Voorbij het viaduct verandert het landschap en loop je langs open gebied, met vooral weilanden. Van tijd tot tijd passeer ik het restant van een bunker. Langs de oever staan gele lissen. Ze bloeien nog net niet. Dan komt landgoed Coelhorst en staan er weer bomen. Een deel van dit landgoed is eigendom van Natuurmonumenten; er loopt een wandelpad overheen (alleen toegankelijk op zaterdag en zondag).

Coelhorst

Behalve over dit wandelpad is Coelhorst niet toegankelijk. Op dit terrein liggen enkele boerderijen,  een kapel met een kleine begraafplaats en een grote beukenlaan. Na een klein stukje van die beukenlaan buigt het pad de weilanden in. Er is een conflict met een bewoner, die geen passanten wil. Daarom zit het hek buiten het weekend op slot; op Tweede Paasdag kon ik het terrein niet op. De kapel is vanaf het pad niet te zien, die is wel te bekijken op “openmonumentendag” in september. Binnen zijn graftombes van de familie Van Tuijl van Serooskerken. Het wandelpad komt uit op de Coelhorsterweg (Hoogland-west), een weg met nog een aantal boerderijen, maar ook veel grote rietgedekte woonhuizen met royale, fantasieloze tuinen.

Aan het eind steek ik de Bunschoterstraat over en loop Hoogland in. Ik kies voor de Van Boetzelaerlaan, want ik wil nog even brood en kaas kopen bij “Groot Wede“, de boerderij van boer Kok. De VPRO maakte in 2010 een documentaire over boer Kok die door de nieuwbouw binnen de bebouwde kom kwam en een bizarre strijd voerde met de gemeente tegen bureaucratische regels die geen rekening houden met biologisch boeren.

Als ik hier nog wat heb ingeslagen, loop ik terug naar het Valleikanaal en ben ik alweer bijna thuis.

Coelhorsterweg, Hoogland west

Documentaire “De kleine oorlog van boer Kok

Moestuinkrabbels (3)

Eindelijk is het dan zover. de ijsheiligen zijn voorbij, de kans op nachtvorst is nu veel kleiner geworden. Eindelijk kunnen de plantjes naar buiten. Daar ben ik dan ook mee bezig geweest: pompoenen geplant en courgettes. Nog niet allemaal, ik houd nog even wat achter de hand. Eerst even afwachten hoe het met deze gaat. De tomatenplantjes vind ik nog te klein om buiten te zetten. Ik heb boontjes gelegd en zelfs al een paar bonenplantjes in de grond gezet.

Ondanks dat het nog steeds droog is, gaat alles toch wel door. Ik hoor op het nieuws dat er overal buien vallen en ik hoopte op een groeizaam buitje. Maar nee, nog steeds geen drup.

De afrikaantjes die ik eigenlijk te groot vind voor mijn tuin, hebben zich uitgezaaid en komen her en der tevoorschijn. Grappig, want van de lage soort die ik binnen had voorgezaaid is niks opgekomen. Ik heb nu ze nog een keer gezaaid. Ik wil ze tussen de koolrabi en de tomaten zetten. Als dit zaaisel ook mislukt, dan koop ik plantjes bij.

De judaspenning is nu uitgebloeid. Die heb ik voor een groot deel uit grond gehaald om plaats te maken voor andere planten. En ook omdat ze zich anders door de hele tuin uitzaaien. De muurbloempjes zijn praktisch uitgebloeid, maar nu hebben de leeuwenbekjes al gekleurde knoppen. In de stokrozen staan mooie knoppen, ik verwacht er deze zomer meer van dan de afgelopen zomer. Toen stonden ze er zielig bij.

Mijn tuin is vol beloften.

 

 

 

Museum Insel Hombroich

Hombroich, kunst en natuur

Vorige week noemde ik het al even: museumeiland Hoimbroch in Neuss (Duitsland). In 1987 stichtte een Duitse kunstverzamelaar (Karl Heinrich Müller) hier zijn eigen kunsteiland in een moerasachtig gebied omgeven door een riviertje (de Erft). Het is een natuurgebied waar inheemse wilde planten samengaan met aangeplante soortgenoten. Korenbloem en lupine staan er naast camassia en paardenbloem. De sering naast de wilg. Her en der staan gebouwtjes waar kunst te zien is.

Geen bordjes

Eenmaal op het terrein, kom je als eerste bij de Turm; een lege ruimte waar je doorheen kunt. Je kunt er ook omheen, maar de gedachte is dat je alle ballast achterlaat in die lege ruimte: je kennis en aannames van/over kunst, je ideeën over mooi en lelijk etc. Zodat je onbevangen kunt kijken. Op het terrein zijn geen bordjes en geen suppoosten. Je krijgt een plattegrond waar alleen opstaat van welke kunstenaars er iets te zien is.

En wat zie je dan?

Van alles wat. Veel Lovis Corinth, veel Bart van der Leck, mobiles van Alexander Calder, grote popartachtige panelen, antieke Chinese terracotta beelden, objecten met gekleurde veren. Was dat modern of waren ze juist heel oud? Ik twijfelde… misschien uit Mexico of Peru? Leuk hoe anders je kijkt zonder “houvast” van bordjes met naam en jaartal. Grote namen en plaatselijke beroemdheden naast elkaar, gecombineerd met oude kunst uit Azië, Zuid Amerika en Oceanië.

Oud of toch modern?? Ik twijfel…..

Waar ik niet over twijfel zijn etsen van Rembrandt. Dat je een deur open doet en dan zomaar een rijtje etsen van Rembrandt ziet hangen! Geen koordje waar je achter moet blijven, geen klimaatregeling of wat ook. Je kunt er gewoon met je neus bovenop staan. Ze hangen naast tekeningen van Gustav Klimt, schetsen van Giacometti en ander werk op papier.

De gebouwen zijn niet groot. En terwijl je van het ene naar het andere loopt is er buiten ook van alles te zien. Op het terrein werkt een beeldhouwer (Anatol) die grote figuren maakt van cortenstaal. Ik zag een zwaan op een nest zitten en kwam langs een boomcirkel. In de tuin bij de oude villa stonden enorm grote wisteria’s (blauwe regen) te bloeien.

Eigenlijk moet je een keer zelf gaan kijken. Om te ervaren hoe leuk het is om kunst te kijken zonder “gestuurd” te worden door bordjes en zonder een suppoost die op je af komt omdat je er te dicht bovenop staat. Goed het zijn niet allemaal topstukken en ook niet allemaal even interessant, maar toch.

Een bezoek is goed te combineren met het Rakettenstation Hombroich en de Langen Foundation ernaast. Ook een verzamelaarscollectie, vooral van Japanse en andere Aziatische kunst. Met een heel andere sfeer in een prachtig glazen gebouw in het water, ontworpen in 2004 door de Japanse architect Tadao Ando. Vorige week was er een tentoonstelling van mooie Japanse prenten te zien(nog tot 25 aug, 2019).

 

Meer informatie: website Stiftung Insel Hombroich

Naschrift: de kunstenaar Anatol overleed een week na mijn bezoek (10 mei 2019)

 

Moestuinkrabbels (2)

Door het koude weer van de laatste weken gebeurt er nog niet zoveel in de tuin. Nam ik in andere jaren nog weel eens een gokje met buiten planten voor de “ijsheiligen“, dit jaar vind ik het er echt te koud voor. En niet alleen voor de plantjes; na een halfuurtje in de tuin heb ik al stijve vingers van de kou. Plantjes als courgettes, pompoenen en boontjes staan in de schuur te wachten op warmere tijden.

Natuurlijk gebeurt er wel wat: de aardbeien staan te bloeien en ik heb al een paar keer van de pluksla gegeten, die ik in een grote pot heb. Ik heb pas ook nog wat veldsla gezaaid. Her en der staan akeleien en grote wolken witte judaspenning te bloeien. Het lijkt wel bloesem! Ook goudsbloemen en borage hebben zich flink uitgezaaid. Het zijn er veel te veel, ik heb ze er voor het grootste deel uitgetrokken.

Met de regen kwamen de slakken. En in plaats dat ze zich eens te goed zouden doen aan al die goudsbloemenzaaisels. Nee hoor, ze laveren tussen die goudsbloemenplantjes door en storten zich op die paar koolplantjes. Die had ik nog wel beschermd met een laag eierschalen, wat niet heeft geholpen. Na een paar avondjes slakken rapen, heb ik toch maar slakkenkorrels gestrooid, milieuvriendelijke, maar toch…

De rabarber blijft klein, ik denk dat ik hem dit najaar ga verplanten. Hij krijgt waarschijnlijk toch te weinig zon. De peultjes staan al boven de grond. Toen het nog kleine plantjes waren heb ik er een net overheen gehangen met het oog op de duiven. Die zitten soms op een rijtje op de schutting te kijken of er nog iets te eten valt. De pastinaken die ik gezaaid heb, zag ik hier en daar boven de grond staan, maar nu niet meer. Vast ook door de slakken. De bietjes kwamen slecht op, maar ik heb bietenplantjes gekregen, die heb ik er tussen gezet. Toch nog maar een keer pastinaak zaaien straks. En dan ga ik ook de dahlia’s planten, want die kan ik altijd nog afdekken.

Ik heb de bonenstokken alvast gezet, zodat ik kan zien hoeveel ruimte ik nog overhoud. Dat is als altijd te weinig! En dan wil ik ook de pompoenen laten klimmen dit jaar! Ik ben erg benieuwd of dat gaat lukken. Ik heb ze al wel eens langs de schutting geleid of over de waslijn, maar nog niet zo tegen stokken. Eerst heb ik met een grondboor gaten gemaakt voor de stokken, zodat ze extra diep en dus stevig staan.

In de kamer staan -veel te veel- tomatenplanten te wachten. Het is natuurlijk de vraag hoeveel er overblijven. En dan, je kunt altijd iemand blij maken met een tomatenplant, want die kun je ook heel goed in een pot kweken op een balkon.

Het blijft ook dit jaar weer een verrassing hoe mijn tuin er uit zal zien.

Ps: het merelpaartje zit nog steeds op het nest in de meidoorn. Door de dichte bladeren kan ik niet zien of er al kleintjes zijn.