Heidetuin Von Gimborn arboretum in Doorn

Augustus, de heide bloeit weer paars. Want heide is paars toch? Natuurlijk, er zijn ook witte heideplantjes, maar het algemene beeld (ook het mijne) van de heide is een paarse vlakte. Totdat ik onlangs een bezoek bracht aan de heidetuin in het Von Gimborn arboretum in Doorn. Er ging een wereld voor me open, zoveel soorten heide. 

de heidetuin; niet alleen paarse heide

Droge en natte heide

De meeste heidevelden in ons land zijn droog en liggen op zandgrond; de gewone witte of paarse struikheide (Calluna vulgaris) doet het daar goed. Daartussen staat soms wat dopheide (Erica tetralix). Van oudsher zijn er in ons land ook natte heidegebieden, op veengrond. Je vindt ze vnl. nog in Drenthe. Veel zijn verdwenen: door ontginning, want ze leverden goede landbouwgrond op, maar ook door de lage grondwaterstand. Op een nat heideveld groeit geen struikheide, maar hoofdzakelijk dopheide. Op sommige plaatsen probeert men door vernatting deze heide weer terug te brengen. Zie ook mijn blog orchideeën op de hei?

De heidetuin

In de heidetuin staan ook soorten die je niet zomaar langs de weg vindt. Het informatiepanel noemt behalve de struik- en de dopheide de volgende hoofdsoorten: lavendelheide (Andromeda), kraaiheide (Empetrum), Ierse heide (Daboecia). Van deze soorten zijn er dan ook weer ondersoorten te zien. Ik zag vooral veel Ericasoorten. Bijvoorbeeld voorjaarsheide (Erica x darleyensis) die bloeit in het vroege voorjaar. En sneeuwheide (Erica carnea) bloeitijd november-februari.  

Af en toe duizelde het me, al die namen van soorten en ondersoorten. Echt verwarrend vond ik de Ierse heide (Daboecia), nauw verwant aan de dopheide, en de Irish lemon (Erica x stuartii). Allebei komen ze oorspronkelijk uit Ierland, waarom dan die 2 soortnamen? Ik heb het niet kunnen ontdekken. Als iemand het wel weet, hoor ik het graag.

  

Ierse heide (Daboecia) en Irish lemon (Erica x stuartii)

Een soort wil ik nog laten zien, omdat hij zo anders is dan de anderen: de boomheide (Erica arborea). Afkomstig uit het gebied rond de Middellandse Zee en Afrika. Het waren meer struikjes dan bomen; maar wel hoger dan de struikheide. 

boomheide (Erica arborea)

Ik blijf de paarse heide prachtig vinden. Wil je eens wat anders zien, dan is een heidetuin een goed alternatief. Er zijn natuurlijk meer heidetuinen, bijvoorbeeld in Driebergen en Bergen op Zoom. Die in het Von Gimborn arboretum is een van de grootste in ons land.

Website: Von Gimborn Arboretum

 

 

 

Zandblauwtje (Jasione montana)

Pas zag ik onderweg in de berm zandblauwtjes staan. Die zie je niet zo vaak. De grond is meestal niet schraal genoeg voor ze. Het zandblauwtje komt alleen voor op droge zandgronden. In de duinen bijvoorbeeld en nu dus in de berm bij de Leusderheide. Onwillekeurig dacht ik aan een gedichtje van Hans Warren over het zandblauwtje. En ja, thuisgekomen vond ik het in de bloemlezing “Nakijken, dromen, derven”. Het komt uit de bundel “Tijd” van 1986. In plaats van te plukken, maakte ik een foto. Mijn zandblauwtje kon blijven staan voor wind en bijen.

Je zou denken dat het zandblauwtje een composiet is, maar het hoort bij de klokjesbloemfamilie (Campanulaceae). Er is ook een variant van het zandblauwtje te koop als vaste plant voor in de tuin: Jasione laevis. Ook die vraagt om droge schrale grond.

Dan nu het gedichtje:

Zandblauwtje

Scherfje hemel op de duintop
trillend in de wind.

Omdat ik niet zeker was
plukte ik de schraalste.

’s Avonds, vergeten in mijn zak:
dor propje, sprietje, spijt.

Water deed wonderen, ’s anderendaags
bloeide je weer, liet je determineren.

Zandblauwtje, Jasione montana.
Scherfje hemel in een plastic beker.

De wroeging blijft, geen wind, geen bij
beroert je meer, en

ijdel is dit woord.

Hans Warren (1921 – 2001)

 

Genesis

In den beginne schiep God de hemel en de aarde.” In het bijbelboek Genesis schept God hemel en aarde door Zijn woord: “In den beginne was het woord.” De Braziliaanse fotograaf Sebastião Salgado schept voor ons die wereld opnieuw met zijn beelden. “Oer”

Het zijn beelden die uit een oertijd lijken te komen: machtige rivieren, ijsbergen, bossen, woestijnen. Dieren, als de leguaan en de schildpad, die er uit zien als oertijddieren. Ook de mensen lijken uit een totaal andere (oer)tijd te stammen. Salgado laat met zijn foto’s zien dat deze wereld nog steeds bestaat. Tegelijk is het zijn pleidooi voor het behoud van onze kwetsbare planeet. (zie hiervoor het filmpje) . Toen hij ziek thuis zat na het fotograferen van alle gruwelen tijdens de burgeroorlog in Rwanda, wilde hij met zijn foto’s een heel andere weg inslaan. Voor zijn ode aan de natuur reisde hij o.a. naar de Galapagos eilanden, Madagaskar, Rusland, Antarctica, Botswana.  Hij maakte duizenden zwart-wit foto’s (vnl. analoog) en 200 van deze foto’s zijn nu te zien in het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam.

Het is een mooie tentoonstelling geworden. De foto’s zijn goed uitgelicht met spotjes en de toelichting via “geluidsdouches” vond ik een uitkomst: je staat dan op een bepaalde plek voor de foto en hoort een toelichting, die zowel over inhoudelijke als over de technische aspecten van de foto gaat, uit het plafond komen. Voor mij veel plezieriger dan de audiotour, die overigens ook verkrijgbaar is. Daarnaast is de toelichting ook nog eens op papier.

Het was bijna teveel om in een keer te bekijken. Niet alleen door de veelheid van foto’s, maar ook door de intensiteit van de beelden. Een kijkpauze om het hoofd even te resetten was voor ons wel nodig. Tegelijkertijd maakte dat het juist tot zo’n bijzondere ervaring. Je wordt als het ware even opgetild en in een andere wereld gezet. Een wereld waarvan je het bestaan soms zelfs niet vermoedde. Steeds voel ik het woord “oer” opkomen om mijn gevoel bij de foto’s te beschrijven. 

Foto’s van foto’s doen altijd afbreuk aan het oorspronkelijke werk en deze zijn gemaakt met een telefoon. Toch twee voorbeelden om iets van de sfeer en de veelzijdigheid te tonen. Maar eigenlijk wil ik er maar een ding mee zeggen: gaan zien! Dat kan nog tot 17 september a.s. in het Nederlands Fotomuseum Rotterdam.

Meer informatie op de website van het fotomuseum. Daar staat ook het filmpje met zijn levensverhaal en zijn motivatie om deze foto’s te maken. Een aantal foto’s is te zien in dit verslag van NRC

 

Intussen in de tuin (4)

Halverwege juli is ongeveer de tijd waarin ik de regie in de tuin een beetje kwijtraak. Zeker nu het zoveel geregend heeft, barst er van alles uit de grond. De oostindische kers groeit zo hard dat de bietenplanten uit het zich dreigen te raken. Hoog tijd om ze met vaste hand uit de grond te trekken, de bloemen kunnen op een vaasje. Er is weinig zo vrolijk als een vaasje met oostindische kers.

Toen ik vanmorgen eindelijk weer eens met een kopje koffie in de tuin zat te genieten, bedacht ik hoe een tuin een metafoor voor het leven is: je denkt dat je “in control” bent maar vroeg of laat komt het moment dat je inziet dat dat niet zo is. Dan gaat de natuur haar eigen gang en beweeg je mee met wat er in de tuin/je leven gebeurt. En dat is goed zo.

  

Genoeg gefilosofeer, voeten in de aarde maar weer. De rode bietjes staan er goed bij. De koolrabi is geoogst en op die plek heb ik nu roodlof gezaaid (radicchio). Ja, ik blijf consequent bij mijn rood-thema. Dat is een van de groenten die nog tot begin augustus gezaaid kan worden. (evenals chinese kool, daar moet ik nog een plek voor maken.) Er staat nog een enkel bloemetje in de kapucijners, maar ze raken op hun eind en verkleuren al geel. Ik heb er al een paar maaltjes van kunnen eten. De paarse boontjes zien er niet goed uit. Ik heb er al verschillende keren van geplukt, maar ze bloeien niet meer en dus blijft nieuwe oogst uit. Vermoedelijk komt het door de vele regen van de afgelopen tijd. Er zit roest op de bladeren en ze zijn aangevreten. Ik zie er geen rupsen bij, dus ik vermoed dat slakken de boosdoeners zijn.

In een grote pot heb ik winterpostelein gezaaid en dat komt mooi op. De tomatenplanten hangen zwaar van de trossen tomaten. Een paar weken geleden had ik nog zoveel mogelijk blad weggehaald om ze licht en lucht te geven. Daar ben ik nu wel blij om want veel nattigheid leidt bij tomaten al snel tot phytophthera, een soort schimmel waardoor de plant bruin verkleurt. De tomaten rijpen dan niet meer en worden bruin.

De Japanse wijnbes is leeggeplukt. Tijd om hem flink terug te snoeien. Leuk trouwens dat er zoveel reacties (ook via twitter en facebook) kwamen op mijn blog over de Japanse wijnbes. Aan de ene kant van lezers die de vrucht nu pas ontdekten en anderzijds van lezers die de plant al jaren kenden en beaamden dat de vruchtjes heerlijk zijn. Dank voor alle reacties!

 

Bloemeneiland

Vraagje:

Waar denk je dat deze foto is gemaakt?

en deze?

of deze?

Niet meteen verder lezen!

Dacht je ook even aan een warm land, Frankrijk misschien?

Toch is dit Nederland, wel in de provincie met de meeste zonuren: Zeeland. Meer bepaald: op het eiland Tholen.

Vroeger verbouwde men hier vooral aardappels, graan, uien en voederbieten. Maar de laatste jaren zijn steeds meer boeren overgegaan op de teelt van bloemzaad. Van oudsher was men al bekend met de teelt van gladiolen. Bollenpellen was vroeger een geliefde bijverdienste. Maar nu zie je liatris, teunisbloemen, leeuwenbekjes, zonnebloemen, helianthus, zonnehoed enz. Dat maakt het ’s winters zo grijze eiland in de zomers een lappendeken van gekleurde velden. Een feest om er rond te fietsen.

Het zaad wordt geoogst, gedroogd en geleverd aan professionele zaadhandels. Het zou dus zomaar kunnen dat de bloemen in je tuin afkomstig zijn uit zaad van het eiland Tholen.

  

 

 

Arboretum Trompenburg in Rotterdam

De oudste botanische tuinen waren oorspronkelijk verbonden aan een universiteit, zoals die in Leiden of Utrecht. Later sloten ook andere tuinen zich aan bij de Nederlandse Vereniging van Botanische Tuinen. Zo ook Trompenburg in Rotterdam (Kralingen). Ik was er nog nooit geweest, maar onlangs combineerde ik een bezoek aan de Kunsthal met een bezoek aan Trompenburg. De tuin was veel groter (8 ha) dan ik had verwacht zo midden in de stad, je hoort de trams langsrinkelen.

Zachte berk (Betula pubescens utricifolia)

In de 19e eeuw, de opkomst van de Rotterdamse haven, bouwden rijke havenbaronnen hun buitenplaatsen aan de rand van de stad. In die tijd was het modern om bomen en planten uit verre landen in je tuin te hebben, zo ontstonden er bijzondere verzamelingen. Trompenburg is gevormd door een aantal tuinen, die oorspronkelijk behoorden bij deze buitenplaatsen, samen te voegen. Het arboretum heeft een parkachtige sfeer. Via slingerende paden en bruggetjes wandel je van de ene “tuin” in de andere. Een totaal andere botanische tuin dan die in Utrecht die juist heel systematisch is ingericht.

Het accent ligt nog steeds op de bomen. Ik zag een metasequoia met takken tot op de grond en een oeroude (Zweedse) berk met allerlei uitstulpingen. Maar er staan ook 700 verschillende rododendrons, er is de nationale hostaverzameling van 500 hostasoorten en er is een woestijnkas met cactussen en vetplanten.

Chinese watercipres (Metasequoia glyptostroboides “Ogon”)

De tuin heeft veel water, sloten met bruggetjes en vijvers. En er was  een veldje waar schapen graasden onder een enorme rode beuk. Er is een eenvoudig theehuis (met heerlijke worteltaart) en achter een muur in een donkere hoek ontdekte ik een kwekerij voor shiitakes op eikenstammetjes. Eikenstammetjes speciaal voor dit doel zijn te koop in het winkeltje bij de ingang.

De rododendrons en ook veel andere planten waren al uitgebloeid, dat leverde soms mooie zaadbollen op, zoals die van de kaardenbol. Ik heb lang niet alles gezien. Ik vond het weer te mooi voor de woestijnkas en ik wilde ook gewoon af en toe op een bankje zitten en een poosje om me heen kijken. Ik ben vast van plan om bezoekjes aan een Rotterdams museum vaker te combineren met arboretum Trompenburg. In de herfst, als de bomen verkleuren, zal het hier ook prachtig zijn. En in het voorjaar bloeien er stinzenplanten.

 

Omdat 2017 is uitgeroepen als “Jaar van de Botanische Tuinen” verscheen er een boek met beschrijvingen van de 25 tuinen die bij de Nederlandse Vereniging van Botanische tuinen zijn aangesloten. (“Botanische Tuinen in Nederland”, uitg. Natuurmedia, te koop in de tuinen en in de boekhandel).

Meer over Trompenburg: website Trompenburg

Japanse wijnbes

De Japanse wijnbes (Rubus Phoenicolasius)

Toen ik onlangs de vraag kreeg of die Japanse wijnbes echt eetbaar is, leek het mij een goed idee eens over deze struik te schrijven. De Japanse wijnbes is een nog tamelijk onbekend familielid van de braam. Omstreeks 1876 werd hij in Frankrijk geïmporteerd vanuit het oosten van Azië (Noord-China en Japan). Planten uit die regio doen het over het algemeen goed bij ons, omdat het dezelfde breedtegraad is met een vergelijkbaar klimaat.

Het is een zelfde soort struik als de braam, hevig rankend en met stekels. Die stekels zijn kleiner dan de doorns van de braam, maar evengoed: ze steken wel. De plant stelt vrijwel geen eisen aan de grond. Bij mij staat hij op zandgrond, ik gooi er wel eens resten potgrond bij, maar dat is het dan ook wel. En hij doet het prima. Bij de vrienden, van wie ik ooit de stek kreeg, staat hij aan de  slootkant in veengrond en daar is hij natuurlijk wel veel groter. Volle zon, halfschaduw, hij doet het altijd. Stekken is trouwens een makkie: zodra het uiteinde van een tak de grond raakt, vormt hij wortels en daarmee een nieuwe plant.

In mei/juni verschijnen de bloemetjes. Die zijn zo piepklein dat ik het eerste jaar dacht dat hij niet gebloeid had. Je moet echt goed kijken, maar de hommels weten ze prima te vinden! Vanaf juli tot augustus komen de braamachtige vruchtjes: eerst lichtgeel, dan via rozerood naar helderrood tot dieprood. Ze zijn een beetje kleverig en zitten in trosjes aan de uiteinden van de takken. Daardoor zijn ze veel makkelijker te plukken dan bramen, want je hoeft niet echt met je armen tussen de takken, waardoor je redelijk ongehavend blijft. De struik draagt vruchten op nieuw hout. Na augustus snoei ik hem heel ver terug.

De vruchtjes zijn heerlijk zoetzuur, ze hebben geen suiker nodig. Hoe roder, hoe zoeter. Het is de kunst om te wachten met plukken tot ze dieprood zijn. Maar ook om niet te lang te wachten, want dan vallen ze uit elkaar tijdens het plukken. Als ik er veel tegelijk heb, leg ik ze in. Dat doe ik op de manier van mijn moeder vroeger met bramen. Om en om een laagje vruchtjes en een paar schepjes suiker en bovenop een scheut jenever (tegen de schimmel). Ze blijven zo ongeveer een half jaar goed. Mooi dus voor een kersttoetje.

Jam maken kan ook, er zitten dan wel veel pitjes in. Daarom vind ik jam van alleen Japanse wijnbes niet zo fijn, maar aangevuld met appel of abrikoos is het heerlijk.

De Japanse wijnbes is te koop in verschillende tuincentra. Maar zelf stekken is heel eenvoudig. Als de plant niet vanzelf een uitloper vormt dan help je een handje: buig een tak naar de grond en leg er een steen op om hem daar te houden. De plant zal wortels maken. Met een beetje geluk heb je het volgende jaar al direct je eerste oogst(je).