Afvoerputje

Op de dag dat ik me ziek meldde, stroomde de afvoer van mijn cv-ketel over.

Ik was net een mailtje aan het typen met een update van lopend werk toen ik het water zag druppen in de woonkamer. Het bleek de verstopte afvoer van de cv-ketel op zolder te zijn. Het water liep van de zolder via de logeerkamer de woonkamer in. Intussen zijn de mannen van de Energiewacht geweest en begint het op te drogen.

Ik bedenk hoe symbolisch dit is. Dat dit precies gebeurde op de dag dat mijn eigen “afvoerputje” vol is. Ik kan een heleboel incasseren, maar het laat een soort neerslag achter in mijn lijf. Nu zit ik even thuis, misselijk, moe en koud. Vooral koud: ik zit met een dikke trui in een dekentje op de bank. De verwarming heeft nog nooit zo hoog gestaan. Wat wel weer gunstig is voor het opdrogen van het plafond.

Ik was net begonnen mijn conditie wat op te bouwen met wandelen. En ik zou gaan sporten om wat spieren terug te krijgen. Maar niets van dit alles nu. Het weer helpt ook niet echt mee: het regent hele dagen. In de achtertuin zie je niet eens meer dat er vorige maand gespit is, de grond is dichtgeslagen door de regen.

Maar in de voortuin bloeien de hyacinten en de blauwe druifjes. Ik heb een bosje geplukt en op tafel gezet. Deze foto is van twee jaar geleden, nu bloeien ze drie weken vroeger dan toen. De zaaisels in de vensterbank komen boven de grond: paprikaplantjes, koolrabi en pompoen. Het is nog niet veel. Maar het begin is er. De tomaten en de courgettes zie ik nog niet. Misschien was dat zaad te oud.

Alles heeft tijd nodig, ook mijn lijf. En ach, al ben ik nu een beetje laat met zaaien en had ik al dingen in de tuin willen doen. Als het straks echt voorjaar is dan kan ik een inhaalslag maken. Nu blijft het bij plannen maken op papier en wat bladeren in “De mooie moestuin” van Julia Voskuil, met mooie kijktuinen. Was het maar vast zomer!

 

Advertenties

Wandelen in het land van Ravenstein

Vorige week wandelden we in het land van Ravenstein, een vestingstadje aan de Maas in Noord Brabant. Ik heb al best veel kilometers gewandeld in Brabant, maar dit was een ander Brabant dan ik kende. Bij Brabant denk ik toch vooral aan bos en heide. Niets daarvan in Ravenstein. We liepen tussen versgeploegde akkers en over dijken. Het is dat er af en toe een flard carnavalsmuziek langs woei. Het carnaval was tenslotte al over een week.

We wilden eerst koffie, dat was even zoeken. We kwamen langs een molen waar een brouwerij in zat, maar daarvoor was het nog te vroeg. Uiteindelijk bleek er in het centrum toch iets open: “De keurvorst”. Aan de tafel achter ons werd druk gediscussieerd over de komende waterschapsverkiezingen. Zo vlak aan de rivier leeft dat toch meer dan in hier midden in het land.

(foto molen: Corinne Simons)

Na de koffie met mini-bossche bol gingen we op weg. Ravenstein is een oud vestingstadje, je ziet er nog kanonnen. Het kreeg al in 1380 stadsrechten, maar hoort nu bij de gemeente Oss. Hoog in een boom, ontdekten we een aalscholver. Best een bijzondere uitkijkpost om een visje te vangen. Je zou denken dat hij dichter bij het water zou gaan zitten.

Al snel kwamen we in Deursen-Dennenburg. Geen den te zien, wel veel knotwilgen. Onderaan de Maasdijk stond een oude boerderij. De routebeschrijving stelde voor om hier het voetveer naar Batenburg te nemen, maar daarvoor was het nog te vroeg, het vaart pas vanaf mei. Jammer, een goede reden om nog eens terug te komen. Ook al vanwege de tuinen van Demen, onderaan de dijk, maar nu nog gesloten.

Het werd een wandeling met een grote kerkdichtheid. We liepen de verkorte route dwars door het land in de richting van de Maas. Waar je onderweg ook keek: er was altijd ergens wel een kerktoren te zien: de Sint Rochus, de Sint Vincentius, de Sint Michael, de Sint Willibrordus en de Sint Jan de Doper.

Vanaf de dijk hadden we een mooi uitzicht over de Maas en we volgden die dijk tot het plaatsje Neerlangel, met 57 inwoners meer een rijtje huizen. Met een kerkje uit de 10e of 11e eeuw, gewijd aan Sint Jan de Doper. Het is in 1869 afgebroken en herbouwd, maar de toren is nog origineel. Ook binnen in de kerk zijn nog een paar originele details te zien. De kerk is het hele jaar open, dus ook vandaag. Het was nog steeds een simpel kerkje. Volgens hun eigen informatie: “Er is geen sprake van een eenduidige stijl en de afzonderlijke delen van de inventaris zijn nauwelijks van enige waarde.”

Ik brandde er een kaarsje en we zaten er een tijdje in stilte.

 

“Ik zoek een plek om stil te wezen
in ’t lawaai van alledag.
Ik zoek een plek om klein te wezen,
een plaats waar ik even schuilen mag.

Ik zoek een plek om te danken
voor dat wat in mijn leven is.

Ik zoek een plek om stil te staan
bij mensen die ik soms zo mis.”

Daarna verder over de dijk, we zagen Ravenstein al liggen: de molen, de kerken. We sloten de dag af in “De Keurvorst” met een pannenkoek en een biertje. En we namen ons voor om hier zeker in de zomer nog eens terug te komen.

We liepen de verkorte versie van de NS wandeling “Land van Ravenstein”. En ja, de lucht was die dag echt zo blauw!

Lente in het Maximapark

Nog steeds is het mooi weer. Maar vanaf donderdag zou het minder worden. Nou ja minder, normaal februariweer. Als het weer je naar buiten lokt en je hebt een vrije dag, dan moet je gaan, vind ik. Ik koos voor een wandeling door het Maximapark.

Ik liep het park binnen vanaf station Terwijde en sloeg eerst linksaf naar de Vlinderhof, die lag er nog kaal bij. Randen lichtblauwe dwergirissen en een geel bloemetje dat ik niet kende. Dat moest ik opzoeken. Het blijkt een hoepelroknarcis te zijn (Narcissus bulbocodium). Wat een feestelijke naam!

Het mooie weer had veel mensen naar buiten gelokt. Het terras aan de vijver zat bomvol, ik was blij dat ik een broodje kaas bij me had. Toen ik op een rustig bankje zat te eten, vlogen heel laag ganzen over. Later zag ik ze aan de waterkant zitten. Waarschijnlijk de grote Canadese gans.

Het Maximapark verbindt de Utrechtse nieuwbouwwijk Terwijde met de dorpen De Meern en Vleuten. Daarom kom je ook huizen en boerderijen tegen in het park en scharrelen er ineens kippen in een beukenhaag.

Via de uitgang aan de kant van Vleuten ging de route het park uit.

In het dorp dronk ik koffie op een terras met uitzicht op een spiegelend kunstwerk.  Prophecies of light advancing light” van David Mackay (2011). Later las ik dat het staat voor de veranderingen in Vleuten door de komst van de nieuwbouwwijk Leidsche Rijn (zie hieronder).

Op de heenweg liep de route langs de zuidkant van het park. Voor de terugweg koos ik de noordkant.

Toen zag ik de futen. Futen zijn zulke mooie vogels. Met hun kuifje en hun roodbruine veren. Ze kunnen onder water zwemmen en heel ergens anders bovenkomen, zodat je op de totaal verkeerde plek gereed staat met je camera. Maar dit stelletje liet zich uitgebreid fotograferen.

Het hoogtepunt van mijn wandeling!

Via dezelfde uitgang als ik waar ik ’s morgens was begonnen verliet ik het Maximapark weer en liep de laatste meters naar NS station Terwijde.

Ik liep een gedeelte van de Groene Wissel Utrecht-Terwijde (Maximapark en Haarrijnse Plas). In totaal 12 km. Ik volgde alleen het eerste stuk tot in Vleuten en wandelde toen mijn eigen route terug naar het station. De route gaat niet langs de Vlinderhof.

Lees hier over het spiegelkunstwerk

Info over het Maximapark

Moestuinkrabbels

Alweer een zonnig weekend! Het begint nu wel te kriebelen: om aan de slag te gaan in de tuin. De narcissen steken al behoorlijk ver boven de grond en ook de botanische tulpen staan boven de grond.

Ik begin met een stukje spitten. Ik weet het, spitten is uit de tijd. Maar ik vind het wel een lekker werkje: je hebt vrijwel direct resultaat. Namelijk mooie losse zwarte aarde. De judaspenningen die zich door de hele tuin heeft uitgezaaid, verzet ik zo veel mogelijk naar plaatsen waar ze gewenst zijn. Die ene grote middenin laat ik nog even staan. eerst moeten de aardperen uit de grond, voordat ik hem in die hoek kan zetten. Het vingerhoedskruid heeft zich ook flink uitgezaaid. Die planten verplaats ik allemaal langs de muur in de schaduw. Ze doen het daar prima in tegenstelling tot veel andere (groente)planten.

De aardbeienplanten hebben links en rechts uitlopers gemaakt en nu staan er overal planten. Ik trek ze met bosjes uit de grond; jammer maar het moet. Als ik niks doe dan nemen ze de hele tuin over. De clematis zag er uit als een enorme ragebol. Ik knip de verdorde stukken er uit, heb ik hem wat aangebonden en langs de schutting geleid.

De rabarber heb ik afgedekt met bubbeltjesplastic, zodat hij eerder blad vormt. Rabarber hoort bij het voorjaar, hoe eerder hoe liever ik ze heb.

Amstelglorie

Omdat ik tussen het spitten door af en toe moet pauzeren, heb ik het volkstuindagboek van Jan Wolkers mee naar buiten genomen. “Amstelglorie” heet het. Sandra besprak het al eerder in haar blog. Anders dan Sandra, ben ik geen Wolkers-fan. Maar dit is leuk. Jan Wolkers had tussen 1972 en 1981 een volkstuin. Onno Blom selecteerde uit Jans dagboeken volkstuinfragmenten en bundelde die in een boek van zo’n 430 pagina’s.

Vrijwel elke dag zijn Jan en Karina aan het werk in hun tuin. “Spitten is wormen halveren”, zegt hij ergens. En ja, dat klopt. Ook ik zie bij het spitten veel wormen omhoog komen en ook ik steek er wel eens een doormidden. Wormen zijn goed voor je tuin. Ze zetten de grond om en brengen zo lucht in je tuin. Ze verteren groenresten en brengen die in de grond. En doormidden steken is niet zo heel erg, de beide helften gaan apart verder.

Het moet een enorme tuin zijn want Wolkers blijft maar nieuwe planten kopen: Hamamelis, Forsythia, Cornus, Magnolia, appelbomen en mispels. Hij plant een rozenbed en legt een moestuin aan. Misschien ging er ook wel eens een plant of boom dood, daarover schrijft hij niet. Hij plant narcissen en akonieten en is dol op de kleine Iris reticulata. Dit blauwe plantje (zie foto) wordt tenminste vaak genoemd. Net zo makkelijk plant hij smeerwortels, wilgenroosjes(!) en boerenwormkruid.

Erg blij is hij ook met de Japanse duizendknoop, die zo goed aan slaat. In 1972 kon dat gewoon nog. Nu noemen we de Japanse duizendknoop een plaag die zich door bruggen en funderingen van huizen heen vreet. Langs zijn pad zet hij reuzenberenklauwen. Dat zou nu ook niet meer geaccepteerd worden op een volkstuin!

Ik heb niet de indruk dat hij veel zaaide. Zo koopt hij vingerhoedskruid, duizendschonen, andijvieplanten en tomatenplanten. Terwijl je die toch ook vrij eenvoudig kunt zaaien.

Tussendoor werkt hij aan zijn boeken, ontvangt hij bezoek en wordt er gegeten. Vrijwel elke maaltijd is beschreven. Na zo’n 250 pagina’s heb ik het wel een beetje gehad. Het wordt een beetje eentonig. De af- en aan vliegende vogeltjes, de verstopte plee, de maaltijden en de tuinklussen.

Toch van harte aanbevolen, ook als je geen Wolkers-fan bent.

Lees hier wat Sandra schreef over Amstelglorie

Arboretum Kalmthout

Wat een verschil met vorig weekend! Liep ik vorige week nog te kleumen in de regen, moet je nu eens zien: zon alom. Meteen voel je de lente in de lucht. Deze zaterdag was ik in het Arboretum in Kalmthout, België, net over de grens bij Roosendaal. Veel tuinen sluiten in de winter, zoals de Botanische tuinen in Utrecht. Terwijl die nog wel een mooie stinzenhelling hebben, die meestal uitgebloeid is als de tuin weer opengaat. Dat blijf ik onbegrijpelijk vinden. Maar zo niet Kalmthout, daar is de tuin ook in de winter open. Juist in de winter zou ik zeggen, want ze hebben de grootste verzameling toverhazelaars (Hamamelis) van Europa en die bloeien nu eenmaal in januari-maart. Ik wijdde al eens een blog speciaal aan de toverhazelaars in Kalmthout. (lees hier). Maar er is veel meer te zien.

Lente in de lucht!

We wandelden de tuin door, dronken koffie op het terras, wezen elkaar op mooie bijzondere bomen en bloemen. Kijk eens die vorm, die structuur, die kleur. We zagen een tapijt van witte cyclamen, een volledig kale knaloranje esdoorn, een grillig gevormde catalpa en de kleine bloemetjes van de Edgworthia. We roken de bloemen van het winterzoet. (Chimonanthus preacox). Ik vond het nog steeds niet op meloen lijken.

Edgworthia chrysanta

De magnolia’s stonden met hun grote, fluwelige knoppen al gereed om de bloei van de toverhazelaars op te volgen.

De boomvarens stonden goed beschermd, niet alleen tegen de koude maar vooral ook tegen de regen, nog te wachten op het warme seizoen.

Vanonder een flinke laag compost/mulch duwden de groene puntjes van de Zantedeschia zich omhoog naar het licht. Natuurlijk waren de sneeuwklokjes al in bloei.

 

Ook al duurt het nog een maand, voor mij begon de lente dit jaar op 16 februari.

Over Arboretum Kalmthout

Het arboretum is 12,5 ha en bestaat al sinds 1856. Er staan nog bomen uit die begintijd.  Het lijkt nu misschien alsof er alleen winterbloeiers te zien zijn, maar dat is niet zo. Er is wel de grootste verzameling Hamamelis van Europa aanwezig. Het is een volwaardige tuin met planten en bloemen het hele jaar rond. Ik heb mij dan ook nu weer voorgenomen om er eens te gaan kijken in een ander jaargetijde. Het arboretum ligt vlak bij het station Kalmthout; vanaf Roosendaal is het 20 minuten met de trein.

Meer over Arboretum Kalmthout

 

Winterakoniet (Eranthis hyemalis)

Afgelopen zondag was een grijze, regenachtige dag. Omdat ik toch al in Leiden was, liep ik nog even naar de Hortus. Voor koffie-met-wat-erbij en om op te drogen in de kassen. Daar hoopte ik de jadebloem weer te zien, met trossen bloemen in een ongelooflijk blauwgroene kleur. Maar het meisje aan de kassa zei dat het daarvoor nog te vroeg was. Het was sowieso een beetje teleurstellend bezoek. Er was maar één kas open. De Victoriakas (die met de grote waterlelies) was gesloten wegens verbouwing. De orchideeënkas was gesloten omdat er teveel planten gestolen werden (!)

Ondanks de regen deed ik nog een rondje door de tuin. En verrassing: vrij ver achterin de tuin was een helling vol met winterakonietjes.

Winterakoniet (Eranthis hyemalis)

Winterakonieten behoren bij de allervroegst bloeiende stinzenplanten. Al in januari kun je de gele bloemen zien, soms nog onder de sneeuw. Ze gaan pas helemaal open als de zon schijnt.

Winterakoniet is niet inheems in ons land, wel in zuidelijke Europese landen. De knolletjes verwilderen gemakkelijk. Je kan ze daarom ook in het bos tegenkomen. Ze houden van schaduw en van vochtige grond. Op zandgrond hebben ze het een stuk moeilijker. Je zou in de verleiding kunnen komen om een paar knolletjes in het wild uit te graven. Pas dan wel op want alles aan dit plantje is giftig.

Als je nu denkt: “Het lijken wel lage boterbloemen”. Dan kan dat kloppen: het is verre familie. Allebei horen ze bij de best wel grote Ranonkelfamilie (Ranunculacea).

Lees hier meer over stinzenplanten.

Info over Hortus Leiden

Die jadebloem hebben jullie nog tegoed.

“In ons leven tallozen” Fernando Pessoa

In ons leven tallozen

In dit bundeltje staan gedichten van Alberto Caeiro, Ricardo Reis, Alvaro de Campos en Fernando Pessoa. O, een verzamelbundel denk je nu misschien. Nee dus, het zijn een paar pseudoniemen/alterego’s/heteroniemen/ hoe wil je het noemen van Fernando Pessoa. Hij had er nog veel meer, voor proza had hij weer andere.  Waarschijnlijk begonnen als een spel met pseudoniemen, werd het steeds serieuzer met die alterego’s. Ze kregen een eigen biografie, ze gingen steeds meer een eigen leven leiden. Dat intrigeert mij. Had hij niet genoeg aan één stem? Was het alleen spel of is er sprake van een meervoudige persoonlijkheid? Hoe werkt dat in iemands hoofd, zoveel verschillende persoonlijkheden? Maar ik ben geen psychiater dus ik houd het bij de poëzie. Het bijzondere is dat al die verschillende alterego’s ook een verschillende stijl hebben.  “In ons leven tallozen” is een gedicht van Ricardo Reis. Het laat iets zien van hoe het moet zijn geweest.

In ons leven tallozen

In ons leven tallozen;
Ik weet niet als ik denk
Of voel, wie denkt of voelt.
Ik ben de plaats slechts waar
Gevoeld wordt of gedacht.

Ik heb meer dan één ziel,
Meer ikken dan ikzelf.
En niettemin besta ik,
Voor allen onverschillig.
Ik maak hen stil: ik spreek.

De kruisgewijze impulsen
Van wat ik voel of niet voel,
Twisten in wie ik ben.
Ik ken ze niet. Zij zwijgen
Tot wie ik mij ken: ik schrijf.

(Ricardo Reis 1935)

Fernando Pessoa (1888-1935)

Ferando Pessoa werd geboren in Lissabon en heeft daar vrijwel zijn hele leven geleefd. In 1896 verhuisde hij met zijn moeder naar Zuid Afrika, maar in 1905 keerde hij terug in Lissabon om te studeren. Hij was toen 17 jaar. Van dat studeren is niet veel gekomen: al in 1907 begon hij een kleine drukkerij en daarna werkte hij als vertaler. Hij schreef als een bezetene, maar er verscheen vrijwel niets van hem in druk behalve en paar werkjes in eigen beheer. Hij rookte en dronk tegen de klippen op en overleed aan levercirrose.

Na zijn dood vond men een kist met duizenden blaadjes met gedichten. Nu geldt hij als een van de belangrijkste Portugese dichters. In Lissabon kunnen ze je nog steeds het café laten zien waar hij werkte en dronk. Zijn beeld zit er nu op het terras van “Café A Brasileira”.

Als Alvaro de Campos schreef hij paginalange gedichten o.a. Triomf Ode, een ode aan de industrie, fabrieken en techniek. Onder zijn eigen naam schreef hij niet alleen in het Portugees, maar ook een reeks sonnetten in het Engels. “In hoeveel maskers achter maskers gaat onze ziel gehuld.”  Tot slot nog één gedicht, van Alberto Caeiro:

Ik geef niet om rijm

Ik geef niet om rijm. Zelden
Ziet men twee gelijke bomen naast elkaar.
Ik denk en schrijf zoals de bloemen kleur hebben.
Maar minder volmaakt in mijn uitdrukkingswijze
Want mij ontbreekt de goddelijke eenvoud
Van alleen mijn buitenkant te zijn.

Ik kijk en ben bewogen
Bewegen zoals water stroomt wanneer de bodem helt
En mijn poëzie is zo natuurlijk als wanneer een wind

gaat waaien.

Fernando Pessoa, “In ons leven tallozen”, een keuze uit de mooiste gedichten,
vertaling August Willemsen.