De eerste sneeuw

De eerste sneeuw van het jaar is altijd weer bijzonder. Je doet de gordijnen open en kijk: een witte wereld! Je weet ook dat die eerste sneeuw nooit lang blijft liggen, de grond is nog te warm. Maar op een zondagmorgen als er weinig verkeer is, dan is het toch altijd weer een plaatje. En in de tuin natuurlijk. Daar blijft het net nog wat langer liggen.

 

 

De sneeuw op het erf
vergeten door de bezem

bij het schoonvegen    

 

Haiku van Basho (1644-1694)

Advertenties

Ergens moet het zijn

Op de valreep van de poëzieweek van Sandra nog een gedicht. Dit keer van de Zeeuwse dichter, schrijver en graficus J.C. van Schagen (1891-1985). Het behoeft eigenlijk geen verdere toelichting. Het hangt bij mij in de kamer als “raamgedicht” op de glazen deur.

 

 

ergens moet het zijn
een soort verwilderde tuin

van oude stilte

de boom voor het huis
zacht wazelt hij zijn verhaal
niemand begrijpt het

het heeft geregend
de tuin dampt goede geuren
aarde die verlangt

Uit de de dichtbundel “Ik ga maar en ben” (1972)

 

 

 

J.C. van Schagen dichtte over het alledaagse leven zonder verheven gedachten of grote woorden. Iedereen die weet hoe een tuin ruikt na een regenbui zal dit herkennen.

Voor zijn bundel “Miniaturen” liet hij zich inspireren door Japanse haiku.

Lees hier meer over J.C. van Schagen

Raamgedichten en poëzieposters worden uitgegeven door Stichting Plint.

Uitsig op die kade

Uitsig op die kade

Nouliks vertolkbaar wat hulle my vertel,
spreeus, eksters, meeue, eende, kraaie, al
die ywerige dagloners van die wal,
die reier so afgetrokke opgestel.

Ek mis myself steeds minder. Ek bedoel:
as steeds meer buitendinge my gaan boei
dan sintels van inwendige gevoel
tintel dit of ek selfafstotend groei.

Vermindering neem waarneembaar toe. Ek hoop
om te voldoen aan omgekeerde bloei
en leeg genoeg te loop om vol te loop
met wat vanuit hierbuite binnevloei.

Toen ik dit gedicht van Elisabeth Eybers onlangs tegenkwam, liet het me niet meer los. Het sterke begin met de roepende vogels. Dan inzoomend: “Ek  mis myself steeds minder“, en  “As steeds meer buitendinghe my gaan boei“. Ik was op een mooie dag in oktober sinds lange tijd weer eens in Vlissingen. Meeuwen die opvlogen en van grote hoogte een mossel lieten stukvallen op het basalt om hem daarna beneden te eten. Een wilde dans voor een volle maag. Net genoeg wind voor klagende geluiden van het windorgel. Passerende schepen van en naar Antwerpen. Het gedicht paste als vanzelfsprekend bij mijn strand-en zeebeleving.

Ik had wel van Elisabeth Eybers gehoord en ook wel eens iets van haar gelezen. Maar de taal die haar zo nabij was, het Afrikaans, haar moedertaal, schiep bij mij juist een afstand. Tot nu dan, bij dit gedicht deed de taal er niet meer toe; het beeld was zo helder als de frisse zeelucht. De “sintels van inwendige gevoel” of “Wat hierbuite binnevloei“. Het woord “onthechting”  komt bij me op. Ik zou over elke regel wel iets kunnen zeggen. Maar dat wordt veel te persoonlijk. Bovendien is het met poëzie toch zo, dat iedereen er iets anders aan kan beleven.

Wie is Elisabeth Eybers

Elisabeth Eybers werd in 1915 geboren in Zuid Afrika, maar woonde het grootste deel van haar leven in Amsterdam. Toch bleef ze altijd in het Afrikaans dichten. In 1991 kreeg ze voor haar totale oeuvre de P.C. Hooftprijs. Ze overleed in 2007.

Uit de bieb leende ik een kleine verzamelbundel: My radarhart laat niks ontglip (uit 2013). Die titel komt uit een ander gedicht waarin beschreven wordt hoe de ik op een schip steeds verder van de kade wegvaart. Maar het “radarhart” heeft nog contact met wat achterblijft.  En zo staan er nog meer gedichten in met mooie beelden. In het gedicht Desember“Die wind wat uit Siberie keer / raap ’n boeket kerkklokke saam”. Of heel herkenbare:  Planttyd:  hoe je na het werken in de tuin nog de vorm van de schep in je hand voelt. In een gedicht over 31 december:“Gek van feesgeknal begryp ek hoe mens aan die drank kan raak”. De verleiding is groot om te blijven citeren. Ik sluit af met het gedicht van de titel van deze bundel.

Vertrek

Die vasteland krimp soos ’n kluit
waaroor die
 water gulsig vou
en trillend klim die stuurkajuit
na algemener, yler blou.

My radarhart laat niks ontglip
en tas steeds aardewaarts waar jy
verword tot opgeloste stip…
Die diepste kloof is reeds oorskry

en tussen ons versink die see
omdat hy nêrens deurgang vind.
Geen onoorbrugbaarheid skei twee
wat sterker konsentrate bind:
die sout van trane, sweet en nog
die allerlaatste liefdesvog.

 

Het gedicht Uitsig op die kade staat in mijn nieuwe AI-agenda voor 2019. Ik vond het terug in een kleine verzamelbundel van Elisabeth Eybers “My radarhart laat niks ontglip.” Gekozen en ingeleid door Alfred Schaffer (uitg. Van Oorschot 2013). Ik heb de bundel uit de bieb geleend. Ik weet niet of hij nog te koop is. Het stond eerst de bundel “Respyt” uit 1993.

Dit is mijn bijdrage, aan de poëzieweek op het blog van Sandraleest. Ook Suzanne, Lalage  en Jannie lazen deze week poëzie.

Je bent wat je leest (?)

“Je bent wat je leest”

is dit jaar het thema van Nederland leestNederland leest begon ooit met vergeten Nederlandse klassiekers (Frank Martinus Arion, Jacoba van de Velde), verbreedde zich daarna tot wereldliteratuur (William Golding) en heeft sinds 2016 een thema. Dit jaar Voeding. De hele maand november krijg je in de bieb het boekje “Je bent wat je leest“cadeau.

Met dit thema maken de bibliotheken het zich niet bepaald moeilijk. Je wordt overspoeld met verhalen over gezonde voeding en wat je wel/niet mag eten. Er zijn foodbloggers en aan de lopende band verschijnen kookboeken. Ik had eigenlijk helemaal geen zin in dit thema.

Maar, nu is het wel zo dat mijn bieb een grote collectie kookboeken heeft. Behalve de bekende van Jamie Oliver, Nigella, Rens Kroes etc. is er ook een grote “culinaire collectie“. Die komt van het niet meer bestaande kookboekenmuseum. De boeken van voor 1960 zijn naar UvA gegaan, de anderen zijn in 2008 naar de Amersfoortse bieb gekomen. Het is leuk om daar af en toe eens in te snuffelen. Daar kwam ik het boek “Vers uit de tuin” van Sarah Raven tegen. Het is een dikke pil met recepten per maand, met groenten die in die maand verkrijgbaar zijn. Met werkelijk schitterende foto’s: één hele mooie peer, een schaal tomaten en heb je wel eens een close-up gezien van rode kool?

“Vers uit de tuin”,

Sarah Raven is een Engelse “tuinvrouw”. Ze heeft een tuin met kookschool en een (web)winkel met alles en meer op tuingebied. Ze heeft een lekker nuchtere schrijfstijl en geeft terloops heel wat tips mee.

Over spruitjes bijvoorbeeld zegt ze dat het geen verschil maakt of je ze wel of niet inkruist. Scheelt toch weer werk.

Over snijbiet: dat ze liever kookt met de groene snijbiet dan de decoratieve variëteiten zoals Rhubarb Chard, met de felrode stelen. Omdat ze wel decoratief zijn maar minder smaken. Ik dacht dat het aan mijn kookkunst lag, maar als zij het ook vindt…

Over krulandijvie (of frisee): bijna een soort plantaardige brillosponsjes- maar je kunt prima wat toevoegen aan een salade.

Over tomaten: tomaten met een sterke geur smaken waarschijnlijk goed. Trostomaten zien er prachtig uit, maar smaken niet beter dan gewone tomaten. Tomaten aan een tros hebben een sterkere geur, maar die komt van de stengel en niet van de tomaten. Haar recept voor snelle tomatentaart ziet er heel eenvoudig uit.

Ook haar Tatin van sjalotten is zo simpel dat ik hem zeker een keer ga maken. Evenzo haar recept voor pastinaakpuree met (Ierse) whiskey. Gevulde aardappelen met pesto, ook zo’n recept dat er simpel uitziet maar erg lekker klinkt.

De foto’s (van Jonathan Bucley) zijn prachtig. Ik pretendeer niet ze te evenaren, maar ze inspireerden me wel om wat foto’s van groenten te plaatsen.

Zo kan ik nog wel even door gaan. HEBBEN !!! dacht ik. Maar tja, het kost wel € 79,00; toch een bedrag om nog eens over na te denken. Misschien vind ik het tweedehands.

En het boekje “Je bent wat je leest“? Dat viel me eigenlijk nog best mee. Vanuit heel verschillende invalshoeken wordt over eten geschreven: de geschiedenis van de Nederlandse keuken, minder vlees met meer plezier, brood met/zonder gist. Met wentelteefjes van Franca Treur, aardappeltajine van Nadia Zerouali en bananenpannenkoeken van Shirma Rouse. Nog één week gratis in de bibliotheek.

 

 

 

 

Al 100 jaar in de klei

Regelmatig ontdek ik iets waarvan ik denk: “Hee, dit wist ik nog niet” Dat dacht ik ook vorig weekend, tijdens het “open huis” van

Mobach Keramiek.

Mobach is een aardewerkfabriek in Utrecht. Het is een echt familiebedrijf, sinds de oprichting in 1895 al vijf generaties lang. Eerst gevestigd in de binnenstad en vanaf 1913 in een pand aan de Kanaalweg dat de status van Rijksmonument (Industrieel erfgoed) heeft. De werkplaats is onveranderd, de oude oven zit nog in het pand, maar wordt nu gebruikt als opslagplaats. Intussen zijn er modernere ovens gekomen. Het is best apart omdat het gebouw nu omgeven is door moderne grote flats en kantoorpanden.

Ik kende Mobach uit vroeger tijd (zo vanaf 1980),stoere vazen in aardse kleuren, die toen erg in waren. Daarna zag ik het eigenlijk nooit meer. Toch is Mobach keramiek nog steeds een begrip.Toen ik het op google intikte kreeg ik bijvoorbeeld veel vermeldingen van veilingen waar vazen te koop worden aangeboden. Mobach is met de tijd meegegaan en nu leveren ze vooral grote stukken aan bedrijven of aan binnenhuisarchitecten/stylisten voor particulieren. Er is geen echte winkel meer; wel een toonzaal en ook in de tuin zijn voorbeelden te zien.

het bedrijfspand uit 1903 is nu Industrieel erfgoed

Open huis

Een keer per jaar, een weekend in november, is er een drukbezocht “open huis”. “Lalageleest” tipte me hier twee jaar geleden al over. Dit jaar kwam het er van om eens te gaan kijken. Het bijzondere van het “open huis” is dat je door het hele pand kunt: in de werkplaats, het magazijn, langs de oven waar de warmte nog af kwam. Nog steeds wordt alle keramiek handgemaakt op de draaischijf en daarna gebakken in de oven. In de werkplaats boven zie je hoe de potten en vazen gedraaid worden. Het glazuur dat na de eerste bakronde wordt opgebracht, is naar eigen receptuur. Grote vazen worden niet in één keer gedraaid, maar opgebouwd uit verschillende delen. Een paar medewerkers zaten te draaien en beantwoordden tegelijkertijd ook nog vragen.

Vol bewondering stond ik te kijken. Ooit, lang geleden, heb ik me eens aan pottenbakken gewaagd. Verder dan een paar bobbelige, veel te dikke potjes heb ik het nooit gebracht. Een klein excuus: ik moest het doen met een schopschijf, wat op zich al een uitdaging voor me was. Hier wordt gewerkt op elektrische draaischijven. Maar ook daarmee had ik er niks van  terecht gebracht.

In de toonzaal stonden vooral de grote potten en vazen, vaak meters hoog. Speciaal voor het open huis waren ze gecombineerd met mooie bloemstukken. In het magazijn stonden ook kleinere vazen, schalen en potten in veel verschillende kleuren.

Mini-museumpje

In de voormalige kleiopslag rond de oude oven is een museumpje ingericht.  Vitrines met oud Mobach werk, van Friese uilenkannen uit 1903-’05, artdecostukken tot de bekendere wat stoere vazen uit de jaren 1970. Die uilenkannen mogen ze van mij wel weer in productie nemen, ze zijn leuk. Dit museum is één maal per jaar geopend: tegelijk met het open huis in november. Wel een beetje jammer, want er waren mooie stukken bij. Nu pas weer te zien in november volgend jaar.

Met de klok mee: een hedendaagse schaal, vazen uit 1936-’42, art decowerk en de uilenkannen 1903-’05. 

 

Voor meer informatie: hier de website

Het boek “Mobach 100 jaar keramiek”,  alleen tweedehands te koop.

November in de tuin

Het is november en de tuin loopt op zijn eind. Ook als het niet regent is alles nat. Ik heb de pompoenen en de tomatenplanten er uit gehaald. De laatste groene tomaatjes liggen in de vensterbank te rijpen. De bonenstaken staan in de schuur. De allerlaatste kievitsbonen heb ik verwerkt in een curry, het was nog maar een handjevol. Curry’s zijn perfect voor restjesverwerking.

Er staan nog steeds een paar dahlia’s te bloeien. Twee dahliaplanten heb ik al gerooid. De zalmroze omdat hij bruin was geworden en een donkerrode die uitgebloeid is. Normaal laat ik dahlia’s altijd in de grond zitten tot ze door de eerste nachtvorst lelijk geworden zijn. Bovendien hoorde ik vorige maand ook nog van Monty Don (Gardeners World, BBC) dat dahlia’s sterker worden als ze nog even die eerste nachtvorst hebben gehad. Maar deze donkerrode ga ik met iemand ruilen. Ik krijg er een donkerpaarse voor terug, daar kan ik me nu al op verheugen.

Er valt nog steeds te oogsten. Ik heb deze week de eerste pastinaken uit de grond gehaald. In het slabakje staat nog wat roodlof, er is nog prei en er zijn nog een paar bietjes. En natuurlijk zijn er de aardperen. Volgende week maar eens iets maken met aardperen en prei, en misschien wat paddenstoelen erbij.

De geraniums bloeien nog steeds. Toch zullen ze binnenkort naar binnen moeten. De geraniumplanten die door de nattigheid lelijk zijn geworden heb ik alvast naar binnen gehaald, teruggeknipt en in de logeerkamer gezet. Toen ik de bloempotten optilde ontdekte ik ze: slakkeneitjes! Kleine witte bolletjes, een beetje aan elkaar geklonterd. Deze eitjes zullen niet uitkomen, maar ik ben er zeker van dat ik er een heleboel niet zal vinden zodat er in het voorjaar weer vele slakjes rondkruipen.

Verder ben ik heel erg blij met mijn nieuwe tuindeur. De oude was kromgetrokken en verrot en sloot niet goed meer. Bij een beetje stevige wind woei hij open en als ik wegging zette ik er een tegel tegenaan. Een paar weken geleden heeft mijn buurman een nieuwe voor me geïnstalleerd. Fijn dat dat nog lukte voor de winter. Want ja, de winter komt er toch aan.

 

 

 

 

 

Christopher Lloyd, het leven van een “plantsman”

Christopher Lloyd (1921-2006)

In de wereld van Engelse tuinen was Christopher Lloyd een begrip. Zijn hele leven woonde hij op Great Dixter en hij maakte van de klassieke tuin een wervelende tuin vol kleur. Onlangs las ik zijn biografie, geschreven door Stephen Anderton (een tuinboekenschrijver). Ik hoopte iets meer te weten te komen over zijn geheim, hoe koos hij bepaalde planten, hoe legde hij de tuin aan? Daarover ben ik bar weinig aan de weet gekomen. Wel gaf het boek me een boeiend inkijkje in het leven van de Engelse upperclass. En tja, het boek bevestigde mij ook dat mensen met mooie tuinen niet altijd aimabele mensen zijn. Je zou denken dat als je elke dag met zoveel schoonheid leeft, je ook zelf van binnen mooi wordt. Dat blijkt niet altijd zo te zijn. Dat is natuurlijk ook een interpretatie van de biograaf. Die, dat moet gezegd, niet beschikt over een sprankelende pen. Het boek heeft twee delen.

Life under Daisy.

Daisy is de moeder, die een buitengewoon grote rol speelt. Christo is de jongste en zijn vader overlijdt vroeg. De biograaf had het geluk dat Daisy een onvoorstelbare stroom aan brieven heeft geschreven, die allemaal bewaard zijn. Wat een familie komt daar uit naar voren! Als Christo op kostschool zit, krijgt hij elke dag een brief, waarin ze niet alleen haar activiteiten in de tuin beschrijft, maar ook alle ins en outs van ruzies met haar dochter, de afkeuring over haar schoondochters en ruzies met iedereen die het waagt met haar van mening te verschillen.

Als Christo een jaar of 8 is kent hij de meeste planten bij hun Latijnse naam. Hij heeft alleen vrienden die ook van planten houden. Zolang zijn vrienden van nut zijn, bijv .als logeeradres (hij haat hotels) is hij zeer genereus. Maar als ze hem vervelen schrijft hij ze even makkelijk af. Na de kostschool gaat hij weer bij zijn moeder en een broer op Great Dixter wonen. Hoewel hij op mannen valt en er sprake is van “bijzondere vriendschappen” heeft hij voor zover bekend nooit een relatie gehad. Dat paste niet in het wereldbeeld van Daisy en hij is te zeer onder haar invloed om er andere denkbeelden op na te houden. Samen met haar richtte hij de tuin beetje bij beetje opnieuw in. Hij maakte diverse reizen naar het buitenland op zoek naar nieuwe planten die hij dan weer toepast in de tuinen van Great Dixter.

hondstand (erythronium) en schoenlappersplant (bergenia)

Life after Daisy

Ook Christopher schreef een enorme hoeveelheid brieven, waaruit ruim wordt geciteerd. Er komt een beeld naar voren van een bevlogen maar niet erg empathisch persoon. Als zijn moeder overlijdt, vertrekt hij de volgende dag, als gepland, naar Schotland. Zijn zus pleegt zelfmoord, zijn broers overlijden kort na elkaar. Het doet hem allemaal weinig, gefocust als hij is op zijn tuin. Volgens zijn biograaf komt dit door zijn opvoeding.

Er komt een groot aantal namen van meer en minder bekende tuingrootheden langs. Zo is Romke van de Kaa een tijd headgardener bij hem en voert hij een uitgebreide correspondentie met Beth Chatto. Beth Chatto’s ideeën over ecologisch tuinieren doet hij af als onzin. “Too much of a slave to what she calls ecology”. Beth Chatto keek naar de natuurlijke omstandigheden waarin een plant het best gedijt en probeerde die in haar tuin te creëren. Dat hij gewoon DDT bleef gebruiken totdat het niet meer mocht, valt me echt tegen. Christopher Lloyd werd een veelgevraagd spreker en gaf lezingen over de hele wereld. Hij had jarenlang een populaire column in “Country Life” en schreef een grote hoeveelheid boeken. Helaas wordt zijn boek “The Cottage Garden”, (dat bij mij in de kast staat), als niet zo best beoordeeld, terwijl hij toch alom geprezen werd om zijn sprankelende en boeiende schrijfstijl.

bluebells (hyacinthoides) en cyclamen

Mensen die hem vol verwachting (en trots) uitnodigden om hun tuin te bekijken, kwamen van een koude kermis thuis. Alle tuinen die hij zag, beoordeelde hij aan zijn Great Dixter en dan kon hij zeer misprijzend reageren.

Hoewel Christopher Lloyd leefde voor zijn tuin, geeft het boek weinig informatie daarover. Er is een schandaal over het weghalen van de rozentuin. Die tuin is indertijd nog aangelegd door Edward Luytjens en het rooien van de rozenstruiken leidde tot veel verontwaardigde reacties. Later maakte hij van het grasveld met de struiken in vormsnoei een bloemenweide, maar daarover bleef het stil.

Aan het eind van zijn leven werd hij geplaagd door financiële problemen. Al zijn aandacht was naar de tuin gegaan, het huis was verwaarloosd. Geld voor restauratie ontbreekt. Dan wordt hij ziek en komt in het ziekenhuis. Als hij daar in 2006 overlijdt heeft hij Great Dixter ondergebracht in een trust. Deze trust krijgt in 2008 genoeg geld bij elkaar voor de broodnodige herstelwerkzaamheden.

weiland met dichtersnarcissen (narcissus poeticus)

Tot slot

Het verhaal van Christopher Lloyd laat het leven zien van een man die volledig toegewijd was aan één tuin en daar alles aan ondergeschikt maakte. Ik vind dat bewonderenswaardig en ook een beetje treurig tegelijk. Maar hij liet wel een prachtige tuin na, die nog steeds bezocht kan worden. Ik ben er een keer geweest maar heb daar geen foto’s van. Dat bovenstaande foto’s zijn gemaakt in andere Engelse tuinen, zou vast zijn goedkeuring niet krijgen.

Website van Great Dixter 

Het boek “Christopher Lloyd, His Life at Great Dixter”, Stephen Anderton, uitg. Pimlico (2010)