Erigeron karvinskianus; Muurfijnstraal

Vorig jaar augustus had ik het al eens over de muurflora op de Amersfoortse (kade)muren. Ook dit jaar zijn ze er weer. Vooral de Muurfijnstraal (Erigeron karvinskianus) is niet te missen.

DSCN9391muurfijnstraal

Muurfijnstraal is een vaste plant uit de Asterfamilie (Asteraceae). Ze komt uit Mexico en in de 19e werd het naar Europa gehaald. Daarom wordt ze ook Mexicaans madeliefje genoemd. Via het zuiden van Europa en langs de kust kwam de Muurfijnstraal steeds noordelijker, naar Bretagne, Zuid Engeland en ook in Nederland. Volgens de “Stadsflora van de lage landen” werd het in 1993 voor het eerst gevonden in Amsterdam. Nu is het plantje niet meer weg te denken.

Van een afstandje lijkt Muurfijnstraal op een madeliefje. Als je dichterbij komt zie je dat het blad heel anders is. Je vindt het plantje vooral op vochtige (kade)muren, altijd op de zonkant. Maar op zich stelt de plant weinig eisen aan de grond.

DSCN9388kop

Andere fijnstralen

Er zijn nog andere fijnstraalsoorten, zoals de Canadese fijnstraal (Erigeron canadensis), de ruige fijnstraal (E.floribundus), de hoge fijnstraal (E.sumatrensis) en de gevlamde fijnstraal (E.bonariensis). Die zien er heel anders uit. Ze worden veel hoger, de bloemen zijn kleiner. Je wil ze echt niet in je tuin hebben. Hier zaaien zich met zaadpluizen door de hele straat uit.

In de tuin

Erigeron karvinskianus kun je best hebben, op een tuinmuurtje of in een rotstuin bijvoorbeeld. Als ze niet komt aanwaaien, kan je zaad kopen. Daarna zaaien ze zich op een warme plaats zelf uit. Je kunt ze ook vermeerderen door ze te scheuren. Om ze mooi te houden wordt snoeien aanbevolen. Dat allemaal als je ze in je tuin hebt. Op de stadsmuren zorgen ze gewoon voor zichzelf.

Oranje havikskruid (Pilosella aurantiaca)

Oranje havikskruid (Pilosella aurantiaca) is een composiet. En door zijn kleur een lekker opvallende. Er zijn heel veel soorten havikskruid. De gele, (gewoon havikskruid), is in elk geval inheems. De oranje lijkt intussen ook behoorlijk ingeburgerd, maar komt oorspronkelijk uit Europese bergstreken.RSCN9318kop

Toen ik naar de Latijnse naam voor havikskruid zocht, kwam ik ook Hieracium aurantiacum tegen. Maar blijkbaar is die naam verouderd en heet hij nu Pilosella aurantiaca. Soms verandert een plant zomaar van naam, zoals de Crocosmia die vroeger Montbretia heette. Waarom dat is, geen idee, zal wel voortschrijdend inzicht zijn. Alleen: zo leer ik het natuurlijk nooit. 

Oranje havikskruid zie je vaak in de berm staan. Maar in de tuin kun je hem ook tegenkomen. Hij heeft geen bepaalde voorkeur voor standplaats, grondsoort, nat of droog, schaduw of zon. Hij vindt het best. Het blad zit in een bladrozet en de blaadjes zijn licht behaard. 

DSCN9266kop DSCN9268 (1)

Havikskruid kan zich snel verspreiden. Daar heeft hij twee opties voor: een wortelstok die zowel onder- als bovengronds uitlopers maakt. En hij maakt ook nog eens veel zaadpluizen (zoals de paardenbloem). Omdat ik hem in toom wil houden, knip ik direct de zaadpluizen eraf. De uitlopers zijn niet zo heel moeilijk weg te halen. 

Nadeel in de tuin vind ik dat hij zo kort bloeit. Maar dan vlamt hij wel mooi op tegen al het groen. 

Planten van het veen, de Nieuwkoopse Plassen

Vorige week was ik in de Meije, vlakbij de Nieuwkoopse plassen. Ik kom hier al best lang. Elk jaar is het wel weer een beetje veranderd. Het fietspad is verbreed en verhard, er is een recreatieveld aangelegd en sinds een paar jaar staat er een strandtent (!) De plassen zijn vanaf de 17e eeuw ontstaan door veenwinning.

Thuis gekomen pakte ik er de dikke boeken  “Wilde planten, flora en fauna in onze natuurgebieden”  weer eens bij. De serie is uit 1971 en het is verrassend wat er toen over dit gebied vermeld werd. “We bevinden ons hier op de oorspronkelijke veenbodem.”  “De moerasgebieden van Nieuwkoop en Noorden vormen een centrale schakel in de reeks van zoete naar brakke wateren.”  DSCN5920

Een aantal zoetwaterplanten kwam toen weinig of niet voor, zoals de gele plomp, een drijvende plant uit  de waterleliefamilie.

Nu zie je ze overal, net als de waterlelie.

Er is dan nu ook geen sprake meer van brak water.

Over die grazende brandganzen wordt in 1971 nog niets gezegd. Ik denk dat er toen nog niet zoveel graslandjes waren, dus was het voor de ganzen geen nuttig gebied.

Andere bekende zoetwaterplanten die je hier overal ziet zijn de Lisdodde (Typha latifolia) met de bekende bruine rietsigaren en de Gele Lis (Iris pseudacorus).

DSCN9249DSCN9252

Je vindt ze in  de begroeiing op de aanslibsels van de oevers. Hier zie je planten die met hun voeten in het water willen staan. Het Wildeplantenboek noemt het zelfs “spectaculaire begroeiing op de aanwassen of drijftillen”: Moerasandoorn, harig wilgenroosje, haagwinde, lisdodde. Ze staan er nog steeds. En ook de watermunt (Mentha aquatica) met lila bloemetjes.

RSCN5953

Op de wat vastere bodem, waar je als wandelaar ook kan komen, zag ik de echte Valeriaan (Valeriana officinalis) met roze bloemschermen en de Moerasspirea (Fillipendula ulmaria), die wit bloeit met iets tussen pluimen en schermen in.

DSCN9211
moerasspirea (Fillipendula ulmaria)

Bij een van de plassen ligt nu een vlonder waardoor je over het water vlak langs de begroeiing kan lopen. Zo kun je veel planten van heel dichtbij zien (en fotograferen).

RSCN5950

Echte valeriaan (Valeriana officinalis) met een Atalanta.

DSCN5941Wat ik ook veel zag was bitterzoet (Solanum dulcamara) uit de nachtschadefamilie. Dit is niet speciaal een plant van het veen. Op zandgrond komt hij ook voor, maar dan blijft hij kleiner. Hier slingert hij zich tussen de andere planten door.

Iets wat nu zeker niet meer gebeurt, maar wat in het boek wel genoemd wordt is het “mostrekken”: de exploitatie van veenmos ten behoeve van bloemisterijen. Hoewel veenmos snel aangroeit, werd het toen toch verboden. Het zal indertijd voor bewoners een aardige bijverdienste zijn geweest.

Een groot deel van de Nieuwkoopse plassen is eigendom van Natuurmonumenten en is openbaar toegankelijk, per boot, kano, fiets of wandelend.DSCN9250Daarnaast zijn er stukken verboden. Je kunt daar wel in met een vaarexcursie. Ik kan dat aanbevelen. Je komt dan door sloten die zo nauw zijn en zo verborgen door overgroeiend groen dat je er gemakkelijk kan verdwalen. 

Zie hier de website  voor alle activiteiten.

Lupines

Lupines zijn er in heel veel kleuren: roze, blauw, oranje, paars, geel, lila etc. en dan zijn er ook nog tweekleurige. Ze bloeien lang: van juni tot september/oktober. Er zijn eenjarige lupines, die kun je zaaien. En er zijn vaste planten. De vaste lupine (Lupinus polyphylus) komt in ons deel van Europa ook in de vrije natuur voor. Het is me nog nooit gelukt om een lupineplant in de tuin te houden. Ik heb het vaak geprobeerd met zaaien en ook met een vaste plant. Maar helaas.

DSCN1181kopLupines houden van een zanderige, beetje zurige, niet al te voedzame grond. Nou dat heb ik. Ze hebben een zonnige plek nodig, daar zit waarschijnlijk het probleem. Mijn tuin op het noorden is vast niet zonnig genoeg. 

Lupine is een vlinderbloemige (Fabaceae). De bloem is als het ware een grote tros met aparte bloemetjes. Bij de tweekleurige soorten heeft elk bloemetje twee kleuren. Op de foto hierboven is dat goed te zien. Het bovenste stukje van elk bloemetje heet “de vlag” en het onderste stukje “de kiel”. Na de bloei vormt elk bloemetje een peul waar het zaad in zit. Zoals bij bonen, die ook vlinderbloemig zijn.

De Alaska-lupine (Lupinus nootkatensis)

In IJsland zag ik een lupinesoort uit Alaska. Ooit werd die in IJsland ingevoerd om erosie tegen te gaan. Het klimaat is vergelijkbaar en deze Lupinus nootkatensis sloeg goed aan. Iets te goed eigenlijk. Nu zijn er hele velden vol met de blauwe lupine en dreigt hij de andere, inheemse, flora te verdringen.

Ik nam wat zaad mee, maar het kwam nauwelijks op. Na een paar weken waren ze weer weg.  DSCN0277kop

Eetbare lupines

Lupines uit de siertuin zijn niet eetbaar, ze zijn zelfs licht giftig. Maar er zijn een paar eetbare soorten: de witte lupine (Lupinus albus) en Lupinus angustifolius die blauw is. Na de bloei krijgen deze lupines peulen waar grote zaden als bonen in zitten. Deze zijn eetbaar, ze bevatten veel eiwit, net als alle peulvruchten eigenlijk. Ze worden gebruikt als alternatief voor sojabonen. Dat is milieuvriendelijker, want je kan ze verbouwen in Nederland. Dat gebeurt nu nog op kleine schaal.

De lupinebonen worden gemalen tot meel. Het wordt gebruikt als veevoer. Maar er zijn ook veel andere producten waar lupinemeel in zit. Vleesvervangers bijvoorbeeld. Kijk maar eens op de verpakking, bijvoorbeeld van producten in de natuurwinkel. Daar verkopen ze ook lupinebonen in pot. Wel goed om te weten dat je er een allergische reactie van kan krijgen, zoals bij die bij noten.

Speenkruid (Ranunculus) Ficaria verna

Een van de eerste bloeiers in het voorjaar is het speenkruid. (Ranunculus) Ficaria verna. Met hun heldergele bloemetjes en hartvormig blad zijn ze bijna niet te missen. Ze verschijnen vanaf februari en kunnen doorbloeien tot in mei.

RSCN4071

Het is een inheemse plant die hoort bij de Ranonkelfamilie. (Waar ook de boterbloem bij hoort). Ze houden van wat oudere grond en staan vaak in bossen. Ze willen ook wat nattigheid en schaduw. In de stad zie je ze daarom vaak langs vijvers of sloten.

Speenkruid dankt zijn naam aan de speenvormige wortelknolletjes, waarmee ze zich (ongeslachtelijk) voortplanten. Ze hebben dus geen bestuiving nodig.

Na de bloei sterft alles bovengronds af, bloemen, bladeren en stengels. Juist als de andere bloemen beginnen met hun bloei, zie je van het speenkruid niets meer. Zo erg is het dus niet om een paar pollen in je tuin te hebben.

Maar veel tuiniers houden niet van speenkruid, vanwege die wortelknolletjes waarmee de plant zich snel vermeerdert. Als je googelt op speenkruid dan krijg je bijvoorbeeld:

  • Door velen gehaat onkruid
  • Het gele gevaar
  • Notoire woekeraar

Je zou dan ook “Vreemd speenkruid” (Ficaria ambigue) kunnen tegenkomen, een soort die groter is en meer bloemblaadjes heeft. Dit is een exoot, die oorspronkelijk is aangeplant, maar nu ook buiten de tuin te vinden is. Zij het niet zo algemeen als het inheemse speenkruid.

Reuzen- of Springbalsemien (Impatiens glandulifera)

DSCN8481 (2)De Reuzenbalsemien of Springbalsemien (Impatiens glandulifera) is een opvallende verschijning die je niet makkelijk over het hoofd ziet. Dat komt omdat hij wel zo’n 2,5 meter hoog wordt. En ook omdat hij nooit alleen staat, maar altijd met heel veel soortgenoten. bij elkaar.

Het is een éénjarige plant, ’s winters sterft hij volledig af. Je ziet hem in het bos of in de berm. Als het maar een schaduwrijke, vochtige plaats is. De witte, roze of paarse bloemen zitten vol stuifmeel en worden graag bezocht door bijen. Dat hij tot in oktober kan bloeien, is gunstig voor bijen, zoveel bloeit er niet meer om die tijd. Toch is het een ongewenste plant. Hoe komt dat?

Een andere naam is: Springbalsemien. Die verwijst naar de verspreiding van de zaden. Hij hoort bij de springzaden. De plant produceert grote hoeveelheden zaad, die hij enorm ver kan wegschieten, zodra de zaden rijp zijn. Daarom verspreidt hij zich vliegensvlug door het bos. En daarmee is het een bedreiging voor de inheemse planten: die kunnen niet op tegen deze snelle groeier. 

Het is een zogenaamde Invasieve exoot. Hij komt oorspronkelijk uit Azië (India, Himalaya) en is in Europa geïmporteerd als tuinplant. In korte tijd is hij verwilderd en verspreid over heel West Europa. Daarom staat hij nu op een Europese lijst van “zorgwekkende planten”. Sinds 2017 is het in de hele EU verboden de plant te importeren, te verkopen, te vervoeren of te kweken. De Japanse duizendknoop staat ook op deze lijst. 

In principe mag hij nog wel als tuinplant. Maar omdat hij zijn zaden zo ver wegschiet, is het onmogelijk om hem binnen de tuin te houden. Het advies is dan ook om hem ook uit de tuin te verwijderen.

Toch zie je hem buiten de tuin nog overal staan, er is bijna niet tegenop te rooien. Tijdens een fietstochtje door landgoed Den Treek zag ik hem overal. En eigenlijk ziet het er best leuk uit. Maar de consequentie is dat andere, inheemse, planten het loodje leggen. En daarmee veroorzaakt hij een ecologische ramp door bijvoorbeeld erosie van slootkanten.

DSCN1607 - kopie

Dus zie je er een verschijnen in je tuin, aarzel niet en verwijder hem onmiddellijk! Want voor je het weet staat je hele tuin er vol mee en die van de buren ook. 

Stoepplantjes en muurflora

Toen we allemaal “ommetjes” wandelden in de buurt, zag je het ineens. Mensen die de namen van de stoepplantjes krijten. Zodat je je meer bewust zou zijn van de verschillende plantjes die er zijn in plaats van het allemaal als “onkruid” te zien. 

DSCN7400 (2)

De reuzenberenklauw stond gelukkig niet op de stoep, maar verder weg in het veld. Want van deze plant kun je lelijke brandwonden krijgen. Maar de bloemschermen zijn prachtig.

Behalve op de stoep groeit er ook veel op de muren. Dagblad Trouw had onlangs een artikel over de muurflora speciaal op de kademuren langs de Amersfoortse grachten. In de “Stadsflora van de lage landen” staat een wandeling langs de plantjes aan de Amersfoortse grachten. Er is een plantje dat gewoon Muurbloempje heet (Erysimum cheiri), daar maakte ik al eens een plantenportret over. Dat kom je niet vaak tegen buiten de tuin.

DSCN1216 - kopie

Een hele bekende is de Muurleeuwenbek (Cymbalaria muralis). Je vindt ze vrijwel overal, mede dankzij de mieren. Die mieren komen af op het zgn “mierenbroodje”, een klein stukje van het zaad dat mieren voeren aan hun larven. Door het verslepen van die zaden verspreiden de mieren ook het plantje. Ze hebben een stenige vochtige omgeving nodig. Dus een kademuur bijvoorbeeld, maar ook onder een dakgoot zie je ze wel. Ze zijn blauwachtige-lila en soms ook wit van kleur. 

Op een stukje stadsmuur kwam ik deze plant tegen, die juist weer op een droge plek wil staan: Wit vetkruid (Sedum album). De plant is al heel lang in ons land, hij wordt al genoemd in een flora uit 1814. Maar hij verspreidt zich nu snel omdat sedumsoorten vaak worden gebruikt voor het begroeien van daken. 

wit vetkruid

Een opvallende verschijning is de Spoorbloem (Centrantus ruber). Dit is eigenlijk een siertuinplant uit Zuid Europa, maar de plant is ontsnapt aan de tuin en handhaaft zich nu op zonnige muren. Hij is er in rood en wit; de witte soort lijkt de rode te gaan verdringen. Maar in Amersfoort staat deze roodbloeiende aan de muur van de Kortegracht. 

spoorbloem - kopie

Zo kan ik nog wel een tijdje doorgaan: bij de Koppelpoort staat Muurfijnstraal (Erigeron karvinskianus), met een bloemetje dat wel wat op een madeliefje lijkt. Ergens langs de Muurhuizen groeit een Bosrank (Clematis vitalba), ook een eerder plantenportretje. In het pad achter onze huizen stond de Bleekgele droogbloem (Gnaphalium luteoalbum). Die is inmiddels weggehaald door de buurman. Geen nood: ik verwacht dat hij wel weer terugkomt. 

En dan heb ik het maar niet over alle varensoorten die langs de kademuren staan. Die kan ik echt niet uit elkaar houden. 

Je kunt in Amersfoort met de Waterlijn nog meevaren op 8 september a.s. voor de tocht “Natuur op de kademuur”. 

Een pannenkoekendorp en het blauwste blauw

Pannenkoekendorp

Afgelopen woensdag fietste ik naar Lage Vuursche. Heen via Soest, terug via Den Dolder. Lage Vuursche is een aardig dorp, wel een beetje aangeharkt en tuttig, met “Hans-en-Grietje-huisjes” noem ik ze. En kasteel Drakensteyn natuurlijk, waar prinses Beatrix woont. Maar daarvan zie je alleen het hoge hek.

Wie Lage Vuursche zegt, zegt pannenkoeken. Eigenlijk is het dorp één straat met vooral pannenkoekenrestaurants. Voor de vorm staan er ook nog een paar broodjes en salade op de kaart, maar daar gaat het niet om. In het weekend is het er meestal te druk. Dan mijd ik het dorp en de bossen eromheen. Ook op deze doordeweekse bewolkte dag waren er nog best wat mensen. Nou ben ik toevallig dol op pannenkoeken. En zo zat ik even later op een terras met een pannenkoek. Even leek het leven weer normaal en ik voelde me belachelijk blij.

Zo blauw….

Heb ik nog wat anders gezien dan een pannenkoek? Ja! Onderweg langs het fietspad bij Den Dolder zag ik deze Echium vulgare; ook wel slangenkruid genoemd. Slangenkruid kreeg zijn naam omdat de bloemen lijken op een geopende slangenbek. Er steekt als het ware een gespleten tong uit. De plant werd eeuwenlang gebruikt tegen slangenbeten. Ik weet niet wat er het eerst was: dat de plant hielp tegen slangenbeten en daarom zijn naam kreeg. Of dat men hem tegen slangenbeten ging gebruiken omdat de bloemetjes op een slangenbek lijken.

Je vindt ze op zandgrond, in de duinen vooral, maar ook op andere plaatsen als de grond maar zanderig genoeg is. De bloemen zijn onwaarschijnlijk blauw, zo blauw zie je zelden in de natuur. Ongeveer zo blauw als korenbloemen, maar die kom je ook nauwelijks nog tegen onderweg.

Zwanenbloem (Butomus umbellatus)

Tijdens een fietstocht deze week zag ik ze weer staan: zwanenbloemen (Butomus umbellatus). Ze stonden langs de slootkant. De zwanenbloem is een moerasplant. Hij wil met de voeten in het water staan.

Als je ze een keer hebt gezien dan herken je ze meteen. Het is een opvallende bloem op een lange stengel met een scherm van roze bloemetjes. De zwanenbloem lijkt nergens op, hij is nl. de enige in zijn plantenfamilie.

Dat je ze nu regelmatig tegen komt onderweg, is best bijzonder. In een flora uit 1971 lees ik nog dat ze “veelvuldig voorkomen in voedselrijk water, langs rivieren en plassen”. Maar de zwanenbloem werd zeldzaam. In 2012 werd de zwanenbloem op de “rode lijst” van bedreigde planten gezet. In 2017 is deze lijst herzien en sindsdien staat hij er niet meer op. Nu kun je ze dus onderweg “gewoon” langs de slootkant zien staan.

Ik vraag me wel af hoe hij zich zal houden op de lange termijn, als de droogte die we de laatste jaren meemaken zich voortzet.

En de naam?

Ik dacht altijd dat ze iets met zwanen te maken hadden. Waterplant en watervogel, zoiets. Dat is maar ten dele waar. De stampers van de bloemetjes op het scherm lijken stuk voor stuk op kleine zwaantjes. Ik vind het vergezocht. Maar dit schijnt toch echt de verklaring van de naam te zijn. Waarschijnlijk zie je dat alleen door een goed vergrootglas.

Groot Hoefblad (Petasites hybridus)

Groot Hoefblad (Petasites hybridus) is vooral te herkennen aan de enorm grote bladeren, zeker zo groot als rabarberblad. Maar voordat het blad te voorschijn komt, verschijnen eerst in maart de paars-roze bloemen. Die zijn nu volop te zien. Al zag ik ook al het begin van de bladeren en dat is ongeveer een maand “te vroeg”. Volgens de boekjes komen de bladeren pas in april. Het is geen zeldzame plant. Je vindt hem op allerlei plekken op voedselrijke grond, als het maar nat is: langs dijken, grachten, sloten enz. enz.

Verspreiding 

De bloemen van Groot Hoefblad zijn tweehuizig. Dat wil zeggen dat er planten zijn met alleen mannelijke bloemen en planten met alleen vrouwelijke. Voor de bestuiving is dat niet zo handig: insecten moeten soms een flinke afstand overbruggen om het stuifmeel over te brengen van de een naar de ander. Misschien is het daarom dat Groot Hoefblad nog een troef achter de hand heeft: de wortelstok. De plant verspreidt zich vooral via zijn wortelstok.

Al lijkt de plant ’s winters helemaal afgestorven, onder de grond leeft hij nog. Zodra het warmer wordt in het voorjaar, loopt de wortelstok uit en verbreidt hij zich verder. Die wortelstok maakt dat hij vaak wordt gezien als een onuitroeibaar onkruid. Toch kun je de plant ook kopen om in de tuin te zetten. Ik vond op internet een paar kwekers die hem te koop aanbieden. Maar waarom je hem zou kopen? Ik heb geen idee. Net zo makkelijk spit je een stukje wortelstok uit de berm. Voor een grote tuin is het vast leuk, maar pas op. Je komt er niet zo maar meer vanaf; integendeel, als het vochtig genoeg is in je tuin, dan dijt hij lekker uit.

Geneeskrachtig?

Groot Hoefblad is te koop in voedingssupplementen. Een extract uit de wortels zou helpen tegen migraine. Zoals eigenlijk met alles uit de natuur, geldt ook hiervoor dat je er voorzichtig mee moet zijn. Veel planten die geneeskrachtig zijn, zijn ook giftig. Denk maar aan Digitalis (vingerhoedskruid). Het is altijd af te raden om zelf te gaan experimenteren met de plant of zijn wortels.

Een klein zusje?

Er is ook Klein Hoefblad (Tussilago farfara). Anders dan je zou denken is dit geen kleine uitvoering. Het is een totaal andere plant, met heldergele buisbloempjes zoals de paardenbloem. Daarover misschien nog eens een andere keer.