Maretak (Viscum album)

Net als de dennenboom (die meestal een spar is) hoort de maretak of mistletoe bij de naderende kersttijd.

DSCN8845maretak2

maretak in de winter met bessen

De magische maretak.

Rond de maretak hangt iets mysterieus. Met oeroude verhalen over de maretak die vooral uit noordwest Europa komen. Zo komt de maretak voor in de Edda en in de Keltisch mythologische verhalen. Druïden maakten gebruik van de krachten van de maretak. Maar de maretak mocht de grond niet raken dan zou hij zijn werking verliezen. Er werden allerlei eigenschappen aan de maretak toegeschreven: bevordering van de vruchtbaarheid van het vee, voorspoedige bevallingen en er werd een bosje opgehangen in de stal en aan de deur ter bescherming tegen onheil. Verder zou wat maretak in je slaapkamer helpen tegen nachtmerries.

In de antroposofie wordt maretak nog steeds gebruikt als geneesmiddel, tegen hoge bloeddruk, overgangsklachten en kanker bijvoorbeeld. DSCN9599

maretak op een appelboom in de zomer

Waarom is de maretak zo bijzonder?

De maretak is best bijzonder, het is namelijk een halfparasiet. Hij groeit alleen op een boom. Zijn wortels zitten niet in de grond, maar op een boomtak. Zijn voedsel en vocht haalt hij uit die boom. Het zonlicht kan hij zelf opnemen, hij heeft altijd groen bladeren.  

In de winter heeft de maretak witte bessen, die door de vogels gegeten worden en uitgepoept. Omdat ze erg kleverig zijn blijven die besjes dan vastkleven op een tak. Daarom wordt maretak ook wel vogellijm genoemd. Als die tak geschikt is, dan hecht de bes zich daaraan en zaait zich zo uit op de boomtak. Zo’n boomtak moet niet al te hard zijn, appelbomen, wilgen, populieren zijn bijvoorbeeld geschikt. Maretak is tweehuizig, om besjes te krijgen heb je een mannelijke en een vrouwelijke plant nodig. 

De maretak is dus niet zomaar aan te planten en het is dus wel te begrijpen dat er in vroeger eeuwen allerlei magische krachten aan zo’n bijzondere plant werden toegekend. 

En nu?

DSCN8844 (1)maretakIn Scandinavische sprookjes staat de maretak voor vriendschap en liefde. Daar komt misschien het gebruik van kussen onder de maretak/misteltoe vandaan. Die sprookjes voeren dan waarschijnlijk nog verder terug in de tijd. 

Hoe kom je aan een bosje maretak? Dat is niet zo gemakkelijk. Je kunt hem natuurlijk tegenkomen in het wild. In Frankrijk en België is de maretak tamelijk algemeen te vinden op populieren en wilgen.

Er bestaat een maretakkwekerij in het Brabantse Moergestel. Zij kweken al jarenlang maretakken op appelbomen. Als de besjes zijn afgevallen worden ze geraapt en uitgesmeerd over de boomtakken. En dan is het te hopen dat ze aanslaan en niet in hun prille stadium wegspoelen door een stevige regenbui. 

De kwekerij verkoopt appelbomen met maretak. In Margraten (Limburg) vond ik ook nog een maretakkenboerderij (met webshop) waar je ze per bosje of tak kan bestellen. 

De winterfoto’s heb  ik gemaakt in arboretum Kalmthout in België. De zomerfoto in een privétuin in Engeland.

 

Japanse notenboom (Ginkgo biloba)

ginnkgo bilobaDe Ginkgo biloba is een bijzondere boom. Vlakbij, hier om de hoek, staat er één in een tuin. In de herfst verkleuren zijn bladeren, net als veel andere bomen, geel. Zodra hij zijn blaadjes laat vallen, moet ik er gewoon een paar mee naar huis nemen.

Die bladeren zien er apart uit: in een waaiervorm met nerven die allemaal uit één punt bij de steel komen en dan parallel aan elkaar uitwaaieren. Er is geen middennerf met vertakkingen. Geen enkele andere boom heeft dat.

Het is eigenlijk geen notenboom. De vrouwelijke Ginkgo’s dragen wel een soort vlezige vruchten. Die vruchten zijn weliswaar eetbaar, maar ruiken erg vies. Daarom worden vrijwel alleen nog mannelijke bomen gekweekt, die dragen katjes.

“Levend fossiel”

De Ginkgo zou je een “levend fossiel” kunnen noemen. Het is een naaldboom die bladeren laat vallen. Daarvan zijn er nog een paar: de Larix bijvoorbeeld, maar die heeft naalden. De boom wordt “levend fossiel” genoemd, omdat het de enige soort is die overbleef van een familie van bomen die tijdens de Jura-periode (200 tot 145 miljoen jaar geleden) op aarde bestond.

De Ginkgo’s die we nu tegenkomen zijn allemaal aangeplant. Alleen in het westen van China zou de boom nog in het wild voorkomen.

Tempelboom of heilige boom

In het boeddhisme is de Ginkgo een heilige boom. Dat kwam onder meer door de geneeskracht die werd/wordt toegeschreven aan de bladeren. Ook tegenwoordig kun je volop potjes Ginkgo-preparaten kopen, de geneeskrachtige werking is echter nooit officieel bewezen. Toen het boeddhisme van China naar Japan ging, kwam de Ginkgo mee. In Japan plantte men de boom bij tempels. Daarom heet hij ook wel Japanse tempelboom.

Dat hij nu “Japanse” notenboom wordt genoemd en niet “Chinese” dankt hij aan de Duitse arts en botanicus Engelbert Kaempfer (1651-1716). Hij ontdekte de Ginkgo in Japan toen hij daar was met de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). Hij beschreef de boom en nam zaden mee. In 1730 werd vermoedelijk de eerste Nederlandse boom geplant in de oude hortus in Utrecht.

ginkgo kopDe Ginkgo houdt stand

De Ginkgo biloba houdt het dus al miljoenen jaren vol. Ook nu is het nog steeds een oersterke boom, hij kan zelfs ouder dan duizend jaar worden. Hij lijdt niet bijzonder onder luchtvervuiling en wordt daarom ook langs straten geplant.

Deze Ginkgo zag ik op Schovenhorst in Putten. Als je straks de gele, waaiervormige blaadjes ergens ziet liggen, dan weet je dat dat hij in de buurt is.

De Ginkgo biloba, hij heeft alles al gezien. Een boom om met respect bij stil te staan.

Erigeron karvinskianus; Muurfijnstraal

Vorig jaar augustus had ik het al eens over de muurflora op de Amersfoortse (kade)muren. Ook dit jaar zijn ze er weer. Vooral de Muurfijnstraal (Erigeron karvinskianus) is niet te missen.

DSCN9391muurfijnstraal

Muurfijnstraal is een vaste plant uit de Asterfamilie (Asteraceae). Ze komt uit Mexico en in de 19e werd het naar Europa gehaald. Daarom wordt ze ook Mexicaans madeliefje genoemd. Via het zuiden van Europa en langs de kust kwam de Muurfijnstraal steeds noordelijker, naar Bretagne, Zuid Engeland en ook in Nederland. Volgens de “Stadsflora van de lage landen” werd het in 1993 voor het eerst gevonden in Amsterdam. Nu is het plantje niet meer weg te denken.

Van een afstandje lijkt Muurfijnstraal op een madeliefje. Als je dichterbij komt zie je dat het blad heel anders is. Je vindt het plantje vooral op vochtige (kade)muren, altijd op de zonkant. Maar op zich stelt de plant weinig eisen aan de grond.

DSCN9388kop

Andere fijnstralen

Er zijn nog andere fijnstraalsoorten, zoals de Canadese fijnstraal (Erigeron canadensis), de ruige fijnstraal (E.floribundus), de hoge fijnstraal (E.sumatrensis) en de gevlamde fijnstraal (E.bonariensis). Die zien er heel anders uit. Ze worden veel hoger, de bloemen zijn kleiner. Je wil ze echt niet in je tuin hebben. Hier zaaien zich met zaadpluizen door de hele straat uit.

In de tuin

Erigeron karvinskianus kun je best hebben, op een tuinmuurtje of in een rotstuin bijvoorbeeld. Als ze niet komt aanwaaien, kan je zaad kopen. Daarna zaaien ze zich op een warme plaats zelf uit. Je kunt ze ook vermeerderen door ze te scheuren. Om ze mooi te houden wordt snoeien aanbevolen. Dat allemaal als je ze in je tuin hebt. Op de stadsmuren zorgen ze gewoon voor zichzelf.

Oranje havikskruid (Pilosella aurantiaca)

Oranje havikskruid (Pilosella aurantiaca) is een composiet. En door zijn kleur een lekker opvallende. Er zijn heel veel soorten havikskruid. De gele, (gewoon havikskruid), is in elk geval inheems. De oranje lijkt intussen ook behoorlijk ingeburgerd, maar komt oorspronkelijk uit Europese bergstreken.RSCN9318kop

Toen ik naar de Latijnse naam voor havikskruid zocht, kwam ik ook Hieracium aurantiacum tegen. Maar blijkbaar is die naam verouderd en heet hij nu Pilosella aurantiaca. Soms verandert een plant zomaar van naam, zoals de Crocosmia die vroeger Montbretia heette. Waarom dat is, geen idee, zal wel voortschrijdend inzicht zijn. Alleen: zo leer ik het natuurlijk nooit. 

Oranje havikskruid zie je vaak in de berm staan. Maar in de tuin kun je hem ook tegenkomen. Hij heeft geen bepaalde voorkeur voor standplaats, grondsoort, nat of droog, schaduw of zon. Hij vindt het best. Het blad zit in een bladrozet en de blaadjes zijn licht behaard. 

DSCN9266kop DSCN9268 (1)

Havikskruid kan zich snel verspreiden. Daar heeft hij twee opties voor: een wortelstok die zowel onder- als bovengronds uitlopers maakt. En hij maakt ook nog eens veel zaadpluizen (zoals de paardenbloem). Omdat ik hem in toom wil houden, knip ik direct de zaadpluizen eraf. De uitlopers zijn niet zo heel moeilijk weg te halen. 

Nadeel in de tuin vind ik dat hij zo kort bloeit. Maar dan vlamt hij wel mooi op tegen al het groen. 

Lupines

Lupines zijn er in heel veel kleuren: roze, blauw, oranje, paars, geel, lila etc. en dan zijn er ook nog tweekleurige. Ze bloeien lang: van juni tot september/oktober. Er zijn eenjarige lupines, die kun je zaaien. En er zijn vaste planten. De vaste lupine (Lupinus polyphylus) komt in ons deel van Europa ook in de vrije natuur voor. Het is me nog nooit gelukt om een lupineplant in de tuin te houden. Ik heb het vaak geprobeerd met zaaien en ook met een vaste plant. Maar helaas.

DSCN1181kopLupines houden van een zanderige, beetje zurige, niet al te voedzame grond. Nou dat heb ik. Ze hebben een zonnige plek nodig, daar zit waarschijnlijk het probleem. Mijn tuin op het noorden is vast niet zonnig genoeg. 

Lupine is een vlinderbloemige (Fabaceae). De bloem is als het ware een grote tros met aparte bloemetjes. Bij de tweekleurige soorten heeft elk bloemetje twee kleuren. Op de foto hierboven is dat goed te zien. Het bovenste stukje van elk bloemetje heet “de vlag” en het onderste stukje “de kiel”. Na de bloei vormt elk bloemetje een peul waar het zaad in zit. Zoals bij bonen, die ook vlinderbloemig zijn.

De Alaska-lupine (Lupinus nootkatensis)

In IJsland zag ik een lupinesoort uit Alaska. Ooit werd die in IJsland ingevoerd om erosie tegen te gaan. Het klimaat is vergelijkbaar en deze Lupinus nootkatensis sloeg goed aan. Iets te goed eigenlijk. Nu zijn er hele velden vol met de blauwe lupine en dreigt hij de andere, inheemse, flora te verdringen.

Ik nam wat zaad mee, maar het kwam nauwelijks op. Na een paar weken waren ze weer weg.  DSCN0277kop

Eetbare lupines

Lupines uit de siertuin zijn niet eetbaar, ze zijn zelfs licht giftig. Maar er zijn een paar eetbare soorten: de witte lupine (Lupinus albus) en Lupinus angustifolius die blauw is. Na de bloei krijgen deze lupines peulen waar grote zaden als bonen in zitten. Deze zijn eetbaar, ze bevatten veel eiwit, net als alle peulvruchten eigenlijk. Ze worden gebruikt als alternatief voor sojabonen. Dat is milieuvriendelijker, want je kan ze verbouwen in Nederland. Dat gebeurt nu nog op kleine schaal.

De lupinebonen worden gemalen tot meel. Het wordt gebruikt als veevoer. Maar er zijn ook veel andere producten waar lupinemeel in zit. Vleesvervangers bijvoorbeeld. Kijk maar eens op de verpakking, bijvoorbeeld van producten in de natuurwinkel. Daar verkopen ze ook lupinebonen in pot. Wel goed om te weten dat je er een allergische reactie van kan krijgen, zoals bij die bij noten.

Magnolia, exotische schoonheid

Er kwam een bloeialert van het Bomenmuseum/Van Gimborn Arboretum: de magnolia’s bloeien. Best fijn zo’n bloeialert, want alles is dit jaar vroeg. Normaal bloeien magnolia’s pas in april. Daarom fietste ik naar Doorn want Magnolia is een bijzondere schoonheid.

DSCN8990kop

Net als heel veel van onze tuinplanten en-bomen komt ook Magnolia uit warme streken als China en Japan. De Franse botanicus Pierre Magnol ontdekte de eerste soort op Martinique (1701).

Magnolia, de Nederlandse naam is  beverboom, maar veel vaker wordt ze tulpenboom genoemd vanwege de tulpvormige bloemen. Niet te verwarren met die andere tulpenboom: de Liriodendron. Die bloeit later in het jaar en valt veel minder op omdat hij dan ook bladeren heeft.

Exotische bloemen

Zoals veel vroegbloeiers bloeit ook de magnolia op het kale hout en verschijnen de bladeren na de bloei. Daardoor vallen de bloemen extra op. De dikke fluwelige knoppen verschijnen al in de winter. Er zijn best veel vroegbloeiers maar geen enkele is van zo’n exotische oosterse schoonheid. De kleur gaat van wit naar lichtroze, hoewel er ook soorten zijn met donkerroze bloemen.

DSCN8986kop

Deze schoonheid verwelkt snel, ze bloeit maar zo’n anderhalve tot twee weken. Van een lichte nachtvorst kunnen de bloemen al bruine randjes krijgen. Er is voor deze week nachtvorst voorspeld. Ik was nog net op tijd.

DSCN8992kopEr zijn veel verschillende soorten. Verschillen zitten in de grootte en de vorm van de bloemen en in de hoogte die de struik of boom kan bereiken.

Eén soort wil ik even apart noemen: Magnolia Stellata. Dit is een laagblijvende soort met, de naam zegt het al, stervormige bloemen. De bloemen zijn vrijwel altijd wit. Wil je een magnolia in een kleine tuin, dan is deze stermagnolia een goede keus. Magnolia’s groeien niet hard, maar ze kunnen enorm groot worden.

Magnolia’s in Van Gimborn Arboretum

In Doorn hebben ze ruimte zat, ze noemen zich niet voor niets het “Bomenmuseum”. Er is zelfs een heel magnoliaveld, waar heel veel soorten bij elkaar staan, ook hele grote bomen. Sommigen waren al weer uitgebloeid, daar lag een tapijt van bloemblaadjes.

DSCN8988kop

Bijzonder vond ik de magnolia’s in de heidetuin. De combinatie van bloeiende heide en bloeiende magnolia’s vond ik onverwacht omdat ik heide altijd associeer met de nazomer. Hier bloeit jaarrond wel een heidesoort. De kleuren pasten mooi bij elkaar.

DSCN9013kop

Wil je de bloeiende magnolia’s nog zien? Wacht dan niet te lang meer. Behalve in Bomenmuseum/Gimborn arboretum in Doorn staan er ook veel in Arboretum Belmonte in Wageningen.

Meer over het Bomenmuseum    en over Belmonte

Speenkruid (Ranunculus) Ficaria verna

Een van de eerste bloeiers in het voorjaar is het speenkruid. (Ranunculus) Ficaria verna. Met hun heldergele bloemetjes en hartvormig blad zijn ze bijna niet te missen. Ze verschijnen vanaf februari en kunnen doorbloeien tot in mei.

RSCN4071

Het is een inheemse plant die hoort bij de Ranonkelfamilie. (Waar ook de boterbloem bij hoort). Ze houden van wat oudere grond en staan vaak in bossen. Ze willen ook wat nattigheid en schaduw. In de stad zie je ze daarom vaak langs vijvers of sloten.

Speenkruid dankt zijn naam aan de speenvormige wortelknolletjes, waarmee ze zich (ongeslachtelijk) voortplanten. Ze hebben dus geen bestuiving nodig.

Na de bloei sterft alles bovengronds af, bloemen, bladeren en stengels. Juist als de andere bloemen beginnen met hun bloei, zie je van het speenkruid niets meer. Zo erg is het dus niet om een paar pollen in je tuin te hebben.

Maar veel tuiniers houden niet van speenkruid, vanwege die wortelknolletjes waarmee de plant zich snel vermeerdert. Als je googelt op speenkruid dan krijg je bijvoorbeeld:

  • Door velen gehaat onkruid
  • Het gele gevaar
  • Notoire woekeraar

Je zou dan ook “Vreemd speenkruid” (Ficaria ambigue) kunnen tegenkomen, een soort die groter is en meer bloemblaadjes heeft. Dit is een exoot, die oorspronkelijk is aangeplant, maar nu ook buiten de tuin te vinden is. Zij het niet zo algemeen als het inheemse speenkruid.

Japanse cipres (Cryptomeria japonica)

Afgelopen week had het Sieboldhuis een online-lezing met de titel

Cryptomeria japonica roept vragen op”.

Bij mij had deze boom nog nooit een vraag opgeroepen. Simpelweg: ik had er nog nooit van gehoord. Reden om me aan te melden. De lezing werd gegeven door Rinny Kooi (bioloog aan de Leidse universiteit). Ik zocht er wat informatie bij in tuinbladen en zo heb ik weer wat bijgeleerd.

Franz von Siebold (1796-1866), arts en plantenverzamelaar, ontdekte de Cryptomeria in Japan en bracht hem mee naar Europa. In die tijd kwam de boom alleen voor in Japan en China.

De naam is afgeleid van het Griekse krypto (verborgen) en méros (deel). Dat verwijst naar de zaden die verborgen zitten onder de schubben.

Wat is er zo bijzonder?

Cryptomeria is de nationale boom van Japan, de Japanse naam is Sugi. Vroeger stond hij vooral bij tempels. Volgens het Shintoïsme, dat uitgaat van bezielde natuur is Cryptomeria een heilige boom. Hij is één van die oeroude planten die miljoenen jaren geleden al op aarde waren en sindsdien nauwelijks veranderd zijn. Zoals de Ginkgo biloba en veel varens bijvoorbeeld. In Japan komen bomen voor van 4000-5000 jaar oud.

Ook een bijzonderheid: het is een monotype. Het geslacht Cryptomeria bestaat maar uit één soort: Cryptomeria japonica. In de loop der jaren is er heel veel mee gekweekt en er zijn tientallen varianten, zoals de Cryptomeria japonica Elegans, C.j. Cristata of C.j. Winter bronze. Allemaal zijn ze afgeleid van de oerboom. Natuurlijk zijn er meer bomen die cypres genoemd worden, zoals de moerascypres of de Amerikaanse cypres. Maar die horen allemaal bij het geslacht van de Taxiodiaceae.

En nu?

cryptomeria jap.4Inmiddels is de Cryptomeria breed verspreid. In ons land wordt hij Japanse cipres of Japanse ceder genoemd. En vanwege de sikkelvormige schubben ook wel eens Sikkelden.

Er zijn meer dan 50 cultivars (stand van 2016), misschien intussen nog meer. Ze worden gestekt of geënt. Er zijn er die speciaal opvallen door de mooie oranje-bruine stam. Er zijn dwergvormen, die je in een pot kan zetten. Toch vind je de boom vooral in parken, botanische tuinen en arboreta zoals Trompenburg (in Rotterdam), de Leidse Hortus of Pinetum Blijdenstein (Hilversum).

In Japan kan hij zeker 20 meter hoog worden, ook al groeit hij maar langzaam. Hij heeft tenslotte de tijd want hij kan duizenden jaren mee. In Nederland wordt hij minder hoog.

Cryptomeria is te koop bij goede boomkwekers in Boskoop bijvoorbeeld, maar ik zag ze (in pot) ook op de website van een bekend tuinwarenhuis. Hij is vrijwel winterhard, alleen de hele jonge exemplaren moet je tegen de vorst beschermen. Hij staat bij voorkeur op een plek in lichte schaduw. Hij groeit niet hard en laat zich makkelijk snoeien, ook in vormsnoei en zelfs tot een haag.

Voor wie nog meer wil weten is er een boekje van Rinny Kooi: “The Japanese Cedar” (in Nederlands, Engels en Japans). Te koop in het Sieboldhuis in Leiden, bij Uitgeverij Ginkgo en waarschijnlijk ook bij je eigen boekhandel.

Winterbloeier: Viburnum

Januari, het is weer tijd voor een winterbloeier. Deze keer de Viburnum. Dan bedoel ik de Viburnum x bodnantense, een roze winterbloeier.

Die x betekent dat het een kruising is. In dit geval tussen Viburnum grandiflorum, een winterbloeier afkomstig uit de Himalaya en de Viburnum farreri (nee dit is geen typefout), een voorjaarsbloeier uit China. viburnum (2)Het resultaat van de kruising is deze winterbloeier, Viburnum x bodnantense. Bodnantense, omdat de struik voor het eerst werd aangeplant in Bodnant garden in Wales. Viburnum hoort bij de kamperfoeliefamilie. (Caprifoliaceae). En net als de bekende kamperfoelie, geurt hij ook.

De struik bloeit vanaf november/december tot en met februari op de kale takken. Dat is bij veel winterbloeiers zo, denk maar aan de hamamelis of de winterjasmijn. Hij past zijn bloei aan de temperatuur aan. Als die te laag wordt naar zijn zin, pauzeert hij zijn bloei tot de temperatuur weer wat stijgt. De knoppen bevriezen dan niet, maar houden zich even in. De bloemen beginnen felroze en worden lichter tot bijna wit naarmate ze verder open zijn.

Na de bloei verschijnen de bladeren, die in de herfst fraai kunnen verkleuren. De struik is winterhard, maar wil niet pal op de wind staan omdat er dan wel vorstschade kan ontstaan. Als er al bessen komen, dan vallen ze nauwelijks op.

Inheemse Viburnums 

Er zijn ook twee inheemse Viburnumsoorten, maar dat zijn geen winterbloeiers. Het zijn:

  • Viburnum lantana , Nederlandse naam is Sneeuwbal
  • Viburnum opulus, Nederlandse naam Gelderse roos.
    Allebei bloeien ze wit, zo omstreeks mei.

RSCN5379 (2)

Monnikskap (Aconitum)

Afgelopen zaterdag maakte ik een wandeling. Ik stelde me in op beginnende herfstkleuren, vallende blaadjes en paddenstoelen. En die kreeg ik ook allemaal.

Toen kwam ik langs een huisje in het bos. Zo’n sprookjeshuisje met gekleurde luiken en een kleine tuin ervoor. Daar stonden opvallend helderblauwe bloemen nog volop te bloeien. Het blauw knalde eruit  tussen het stemmige groen.

DSCN8696 (2)

Het bleken monnikskapplanten te zijn. Aconitum, niet te verwarren met de winterakoniet (Eranthus hyemalis). Ook uit de Ranonkelfamilie, maar een heel ander plantje. De monnikskap kan ruim een meter hoog worden.

DSCN8699 (4)Ik twijfelde er eerst nog wat aan. Want de monnikskap die ik ken bloeit in de zomer en is donkerder, meer paarsblauw. Maar er zijn verschillende varianten: waarschijnlijk is dit de Aconitum carmichaelii Arendsii. Die is helderblauw en bloeit later, nl. september-oktober.

De monnikskap kreeg zijn naam door de vorm van de afzonderlijke bloemen, die van opzij op een monnikskap lijken. Het is een vaste plant die graag in de schaduw staat op niet te droge grond. Het bos is dus een prima plek voor hem. Hij is winterhard, na de bloei kun je hem terugknippen zodat hij volgend jaar mooi uitloopt.

Dat ze nog zo laat in het jaar voor kleur zorgen, juist op een donkere plaats, vind ik een grote plus.

Er is ook een min: de monnikskap is bijzonder giftig! Dat geldt voor alle delen van de plant, zowel onder als boven de grond. Ook het sap van de plant is giftig. Echt een plant om met handschoenen aan te pakken. Vroeger werd hij nog een tijdje gebruikt bij oogklachten. Maar dat gebeurt nu niet meer. Het is ook een plant die ik me herinner uit een detectiveserie, om de ideale moord mee te plegen als de detective niet toevallig ook een plantenkenner was……